Vluchtelingen in twee maten

Wat hebben de lotgevallen van de Kosovaarse scholiere Taïda Pasic en de ophef over Deense cartoons met de fiscaliteit te maken? Op het eerste oog niets, maar de in het geding zijnde principes zijn ook in de fiscaliteit aan de orde. Alleen worden ze daar door een heel andere bril bekeken. Dat maakte afgelopen dinsdag het vragenuurtje van de Tweede Kamer extra interessant.

Minister-president Balkenende staat in de cartoondiscussie pal voor de persvrijheid. Hij reageert ondubbelzinnig afwijzend op een Europa-wijd convenant om journalistieke uitingen binnen de perken te houden. De minister-president vindt het ook ongepast als de overheid zou oproepen tot zo'n convenant.

Die terughoudendheid was niet altijd regeringsbeleid. Eerder in deze kabinetsperiode wilde staatssecretaris Wijn (Financiën, CDA) in een gedragscode afspraken met de belastingadviseurs maken over de manier waarop zij zich in de media over de belastingdienst uitlaten. De belastingadviesorganisaties hebben dat convenant overigens niet ondertekend. Inmiddels biedt de staatssecretaris twintig multinationals en sommige belastingadvieskantoren een privé-convenant aan. Of in die op maat gesneden afspraken ook bepalingen voorkomen die de vrije meningsuiting reguleren, is onduidelijk. De inhoud van deze afspraken is geheim omdat het ministerie van Financiën nooit mededelingen over individuele zaken doet.

Dat principe hanteert minister Verdonk (Vreemdelingenzaken en Immigratie, VVD) ten aanzien van vluchtelingen niet zo strak. Over de Kosovaarse scholiere Taïda Pasic uit Winterswijk openbaarde ze in De Telegraaf en de Tweede Kamer persoonlijke gegevens. Dat als tegenwicht voor fraude die de jonge vrouw zou hebben gepleegd toen zij naar Nederland terugkeerde. Taïda reisde via een omweg op een Frans toeristenvisum. Eerder had ze met een mooie vertrekpremie het land verlaten omdat volgens de regels op Nederlandse scholen geen plaats meer voor haar is.

De gangen van politiek vluchtelinge Taïda vertonen een opmerkelijke parallel met die van verscheidene anonieme fiscale vluchtelingen. Opgejaagd door bureaucraten en beladen met financieel voordeel vertrekken ze over de grens om later tersluiks en langs een gekunstelde buitenlandse route terug te keren. Dat alles om toch van de weldaden van de Nederlandse samenleving te profiteren. Fiscale vluchtelingen komt dat op fikse kritiek uit linkse hoek te staan. Toen de slinkse aanpak van Taïda in de Kamer ter discussie kwam, waaide de wind uit andere hoek. Nu straalde de verontwaardiging over zo'n berekenende aanpak van de VVD-bewindsvrouw af. Van twee walletjes eten is niet de bedoeling, zo maakte zij duidelijk. Maar is het ook fraude zoals Verdonk stelt? Haar partij heeft daar in de fiscaliteit al jaren een duidelijke mening over. Elke fiscale opzet waarmee de wet niet wordt overtreden, is acceptabel. Dan moet de wetgever maar betere regels maken. Hoe verrassend is het dan een VVD-minister te horen zeggen: 'Natuurlijk is het belangrijk om de puntjes op de i te zetten. Het gaat om het woord 'fraude'. Wat is fraude ook? Het oneigenlijk gebruikmaken van voorzieningen. Dat is wat hier gebeurt.' Tot zover minister Verdonk afgelopen dinsdag. Inderdaad is het goed om de puntjes eens op de i te zetten en die daar te laten staan als het motief van de vluchteling van politiek naar fiscaal verandert.

Het hoofdartikel in deze krant van afgelopen dinsdag zegt over de ministeriële openhartigheid: 'Het is niet verboden wat de minister doet, maar het illustreert slechts dat niet alles wat niet verboden is ook moreel toelaatbaar is.'

Tijdens het vragenuurtje haalde de minister-president een daags daarvoor gepubliceerd hoofdartikel aan. Dat ging die maandag over de vrijheid van tekenen (van cartoons). De strekking was gelijk: dat binnen de wet veel is geoorloofd, betekent nog niet dat het is geboden. 'Dat is een belangrijk punt; het gaat om een combinatie van vrijheid en verantwoordelijkheid', beaamde Balkenende. In vrijwel dezelfde woorden was de Tilburgse hoogleraar Richard Happé hem drie weken geleden voorgegaan, maar dan voor de fiscaliteit. In het Weekblad fiscaal recht stelt hij dat ook bij belastingbesparing iedere burger zich rekenschap moet geven van zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid. 'Waar gaat fiscale grensverkenning over in maatschappelijke grensoverschrijding? Eenieder dient bereid te zijn zich daarop te laten aanspreken', zo stelt Happé. 'Op free riders kun je immers geen samenleving bouwen.'

Dat vindt staatssecretaris Wijn ook. In het aan de belastingadviseurs gepresenteerde convenant wilde hij hen binden aan het maatschappelijk toelaatbare. De adviseurs wezen dat als inbreuk op hun onafhankelijkheid resoluut van de hand. Zij willen - net als journalisten - geen overheidsinmenging in hun beroep. Maar anders dan de journalistiek ontwijkt de belastingadviessector elke interne en maatschappelijke discussie over de grenzen van zijn vrijheid. Happé heeft weinig hoop op een maatschappelijker opstelling in de toekomst: 'Laten we ook realistisch blijven en niet te naïef vertrouwen op het zelfregulerende vermogen van de grensverkenners.' De vrijheid om via mazen in de wet en internationale constructies belastingheffing te ontwijken, wordt verdedigd als een grondrecht. Happés remedie is de uitvaardiging van nieuwe, meer gedetailleerde regels. Als de beroepsgroep haar verantwoordelijkheid niet neemt, moet de wetgever dat doen. Dat is geen aantrekkelijk alternatief in een tijd waarin het bedrijfsleven de overheid ophitst in een nauwelijks te winnen strijd tegen de overregulering. De wetgever kan trouwens moeilijk normbesef afdwingen; elke regel kent zijn achterdeurtje.

De normen moeten in een maatschappelijke discussie worden afgebakend. Daarbij is het dan wel handig als de politiek één uitgangspunt formuleert en oneigenlijk gebruik niet al naar gelang het type vluchteling als fraude of als legitieme constructie betitelt. Politiek opportunisme is geen handzame leidraad voor normering. Het debat ontwijken en louter technocratisch redeneren zoals belastingadviseurs doen, is dat evenmin.