Twijfelt Bush aan eigen doctrine?

De jaarlijkse presidentiële boodschap over de State of the Union heeft ditmaal een matte indruk achtergelaten. Er waren nauwelijks initiatieven om in de verkiezingen komende herfst voor de Amerikaanse volksvertegenwoordiging de zege voor de Republikeinse partij te verzekeren. Wel was er de bekende ronkende retoriek over wat inmiddels the long war heet en de weigering ook maar een millimeter terrein prijs te geven in het oplaaiende conflict over misbruik van bevoegdheden.

Toch was er een wending van betekenis. Bush kondigde aan dat in 2025 de olie-invoer uit het Midden-Oosten voor ruim 75 procent moet zijn vervangen. 'Door het talent en de technologie van Amerika aan te wenden, kan het milieu van dit land dramatisch worden verbeterd, kan de op olie gebaseerde economie worden verlaten en wordt de afhankelijkheid van olie uit het Midden-Oosten een ding uit het verleden.' Ter bevordering van deze vorm van importsubstitutie zullen volgens Bush vooral alternatieve energiebronnen moeten worden aangeboord.

De president schept zo, mogelijk onbedoeld, afstand tot zijn eigen doctrine en ideologie. De doctrine houdt in: beheersing van het Midden-Oosten. De ideologie voorziet in de middelen: democratie en marktwerking. Pas als die zijn aanvaard, zullen Amerika en zijn partners vrij kunnen ademhalen, want, zo wil de leer, democratieën voeren onderling geen oorlog. Maar als de democratie er eenmaal is ingevoerd, zou Amerika's afhankelijkheid van de regio geen probleem meer zijn en is het ook niet meer nodig een kostbare speurtocht naar alternatieve brandstof te ondernemen. Twijfelt Bush inmiddels aan de kansen om zijn doctrine te verwezenlijken? En is hij gaan inzien dat hij in een fantasiewereld leeft?

Een ouder Amerikaans zelfbeeld toont een in zichzelf gekeerde natie. Keert Bush, ondanks al zijn verzekeringen van het tegendeel, daarnaar terug en wendt hij zich af van de neoconservatieve ideologie die zijn eerste termijn beheerste en een wereldwijde revolutie van creative destruction predikte? Natuurlijk, 2025 is ver weg en Bush lijkt over zijn politieke graf heen te willen regeren.

In die zin doet zijn boodschap denken aan de geruchtmakende rede van Reagan waarin deze president zijn Star Wars-programma introduceerde. Dat is toen van alle kanten belachelijk gemaakt en met reden. Tot op heden, 23 jaar later, is het praktisch niet te verwezenlijken gebleken. Destijds werd over het hoofd gezien dat Reagan koortsachtig op zoek was naar een alternatief voor de strategie van de wederzijdse afschrikking. Deze was gebaseerd op nucleaire gijzeling van honderden miljoenen mensen en dwong hem de 'atoomknop' binnen handbereik te houden. Met de Koude Oorlog is het goed gekomen, maar dat was in 1983 niet te voorzien.

De jongste presidentiële boodschap roept ook een andere president in herinnering, Jimmy Carter, en wel om twee redenen. Carter sprak in 1979 een geruchtmakende rede uit over Amerika's toenemende afhankelijkheid van buitenlandse energiebronnen. Het thema dat Bush vorige week aansneed, is dus niet nieuw. Carter riep de Amerikanen op zich te matigen in het gebruik van olie en in het algemeen met minder genoegen te nemen. Dat was eerder bedacht, tijdens de oliecrisis van 1973, door Nixons veiligheidsadviseur Henry Kissinger. Deze stelde voor om - zoals in Nederland - door belastingheffing de prijs aan de pomp op te krikken. Dat is niet doorgegaan. Carters latere oproep bleek ook tot dovemansoren gericht. Maar het thema wil klaarblijkelijk niet verdwijnen en is in de jongste presidentiële boodschap weer opgedoken.

De andere reden waarom Carter in gedachten komt, staat recht tegenover de eerste. In zijn State of the Union van 1980, in wat het laatste jaar van zijn presidentschap zou blijken te zijn, waarschuwde Carter dat Amerika niet zou toestaan dat de Golf met zijn olierijkdommen onder controle van andere mogendheden zou komen. In het voorgaande jaar waren de Russen Afghanistan binnengevallen en was de sjah van Perzië door religieuze revolutionairen afgezet. Naar achteraf bekend is geworden, was Carter al maanden voor de Russische inval begonnen de Afghaanse godskrijgers met wapens te steunen. De Amerikaanse leveranties waren een bewuste provocatie, zoals Carters raadgever Brzezinski jaren later erkende. De Russen zouden in dat onherbergzame land hun eigen 'Vietnam' kunnen beleven, meende hij.

Militair-historicus Andrew Bacevich noemt in zijn boek The New American Militarism Carters rede van 1980 het begin van een nieuw tijdperk, een tijdperk waarin de VS rechtstreeks in het Midden-Oosten ingrepen en zich niet langer beperkten tot het steunen van machthebbers die Amerika goed gezind waren, zoals de Saoedische koninklijke familie, het Jordaanse koningshuis, de sjah van Perzië, later de Egyptenaren Sadat en Mubarak en een tijdlang ook Saddam Hussein. Opeenvolgende presidenten lieten zich meer en meer betrekken in de veelal gewelddadige oprispingen in de regio. Zo ook Reagan, die in de Afghaanse mujahedeen freedom fighters zag.

Bij de invasie van Koeweit in 1991 trokken ten slotte de Amerikaanse legerscharen de regio binnen, met als, vertraagd, gevolg een poging om bij diens bezoek aan het emiraat ex-president Bush te vermoorden, terroristische aanslagen op het New Yorkse World Trade Center, op Amerikaanse ambassades in Afrika, de kruiser Cole voor anker op de rede van Aden en ten slotte, opnieuw, op de Twin Towers en op het Pentagon.

De inval in Irak in 2003 was de climax in een strategie die vanaf het begin tot mislukking was gedoemd. De spanningen in het Midden-Oosten lieten zich niet beheersen met militair geweld, eerder namen ze toe en werden uiteindelijk ook voelbaar in veraf gelegen streken als Europa en Amerika. Het alternatief dat Bush nu voorstelt, biedt evenmin soelaas. Internationaal neemt de onderlinge afhankelijkheid alleen maar toe. Dat proces valt niet te stoppen. Het heeft geen zin de ene onbetaalbare fantasie door de andere te vervangen.

J.H. Sampiemon is medewerker van NRC Handelsblad.