Toch schrijven de buren beter

Schrijven jonge Belgen beter dan Nederlanders?

Arjen Fortuin betoogde twee weken geleden van wel; de Vlaamse criticus Frank Albers plaatste kanttekeningen. Vervolg van een polemiek.

De close reading van mijn stuk “De Belgen zijn beter' door Frank Albers (Boeken, 03.02.06) vraagt op enkele punten om een reactie. De eerste daarvan is de kwestie-Boon. In mijn stuk leg ik een paar verbanden tussen het werk van Boon en dat van de “jonge Vlamingen'. Uit de reactie van Albers begrijp ik dat dat verboden is. De reden van het verbod wordt me eerlijk gezegd niet duidelijk. Het lijkt te makente hebben met het feit dat andere Nederlandse recensenten eerder Vlaamse schrijvers ten onrechte met Boon hebben vergeleken en met de twintig jaar geleden door een Nederlander gemaakte opmerking dat Boon zich een dochter als Monika van Paemel had gewenst.

Over Louis-Paul Boon en zijn werk is inderdaad veel meer te zeggen dan ik in “De Belgen zijn beter' heb gedaan. Iets meer staat in mijn twee weken eerder (op 13 januari) gepubliceerde bespreking van twee delen uit het Verzameld werk van Boon. Ik verwijs daar ook naar in de slotalinea. Dat stuk gaat voor een belangrijk deel over de ingewikkelde relatie tussen Louis Paul Boon en de jeugd. Lange tijd projecteerde hij op jongeren een zekere heilsverwachting, die volgens mij verwant was aan zijn dromen van een nieuwe maatschappelijke orde. In beide gevallen zijn er in Boons fictie al vroeg de kiemen voor de grote teleurstelling te vinden. Het artikel eindigt bij de teleurstelling van Boon in de “bevrijde' generatie van de jaren zestig.

Die thematiek, waarbij de ogenschijnlijk zo begerenswaardige vrijheid gepaard gaat met een spijkerhard cynisme en de onvermijdelijke val in radeloosheid, vind je dertig jaar later terug bij Annelies Verbeke. Het is niet het enige dat je bij Verbeke vindt, zoals het ook niet door Boon is uitgevonden, maar het is er wel. Wat de overeenkomsten tussen het werk van Dimitri Verhulst en Boon betreft, die liggen in hun belangstelling voor wat ik maar even “sociale vraagstukken' zal noemen en een bijzondere mengeling van agressie en mededogen. De verwantschap tussen Verhulst en Boon kwam eerder aan de orde in het boekje Hij was een zwarte (2003) waarin Boons beroemde reportage over een collaborateur werd “overgedaan' door Verhulst.

Over een “Boonchromosoom' of over “Boonbastaards' heb ik nooit geschreven en evenmin dicht ik Boon het “artistieke vaderschap' van een hele generatie Vlamingen toe. Wel noem ik de jonge Vlamingen “waardige erfgenamen' van Boon. Erfgenamen en erflaters hoeven geen familie van elkaar te zijn. Schrijven dat iemand een “waardige erfgenaam' is wil niet zeggen dat iemand direct verwant is, wel dat er iets gemeenschappelijks is, wat te waarderen valt.

In het laatste deel van zijn stuk noemt Albers acht interessante vragen aan de hand waarvan je literatuur kunt bespreken. (“Treden deze schrijvers op de een of andere manier in dialoog met de geschiedenis?' “Getuigen ze van eruditie?') Op die lijst valt hooguit af te dingen dat het maar een deel van alle mogelijke interessante invalshoeken is.

Tot mijn verbazing verwijt Albers mij echter vervolgens te opereren binnen een “romantisch-idividualistisch referentiekader'. Nu klinkt “romantisch-individualistisch' niet slecht, maar volgens mij heeft Albers hier een aantal zinnen in mijn stuk niet zo opgevat als ze bedoeld zijn.

De afgelopen jaren is mij als recensent meer en meer gaan opvallen dat zoveel goede jonge schrijvers afkomstig zijn uit Vlaanderen. Vervolgens is de vraag of die schrijvers toevallig Vlaams en goed zijn, of dat ze méér gemeen hebben. Om dat te verklaren zijn de vragen van Albers minder geschikt, omdat ze zo specifiek zijn. Afgezien van een steviger verankering in de Nederlandse taal, laten de Vlamingen naar mijn smaak een grotere eigengereidheid en onverstoorbaarheid zien dan veel van hun Nederlandse leeftijdsgenoten. Ik denk dat dat te maken heeft met de omstandigheid dat ze in relatieve luwte opereren; wat verder verwijderd van het Amsterdamse literaire wereldje waarin iedereen over hun schouders mee staat te kijken. Dat dit ze de vrijheid heeft waardoor ze soms fouten kunnen maken, maar zichzelf ook kunnen vernieuwen. Ik vind de onderzoekende wijze waarop deze schrijvers te werk gaan bewonderenswaardig, en een voorname reden waarom hun werk vaak zo geslaagd is.

Maar die poging tot verklaring is allerminst bedoeld als de enige maatstaf waarmee hun werk beoordeeld zou moeten worden - met dergelijke voorschriften is niemand geholpen. Kritiek is niet bedoeld om anderen de wet voor te schrijven.

De eerdere stukken van Arjen Fortuin en Frank Albers zijn te lezen op www.nrc.nl. Reacties naar boeken@nrc.nl