Pfeijffer en Verdonk (4)

Ik heb me zeer geamuseerd met de drie ingezonden brieven van vorige week naar aanleiding van Ilja Pfeijffers stuk over minister Verdonk (Cultureel Supplement, 27 januari). Tot mijn voldoening waren het allemaal politiek correcte brieven, met het hoofdaccent op een bijzaak: de taalkundige correctheid.

Pfeijffer verwijt Verdonk ten onrechte het gebruik van het woord “unheimisch'. (Wiel Kusters in brief 1). Iemand uit Almere vindt Pfeijffer evenmin een groot Germanist. Wel neemt hij Verdonk zeer kwalijk dat ze het heeft over “Nederlands praten'. Dat moet “Nederlands spreken' zijn. Foutje? Niks hoor! Gekwetst merkt hij op dat “Verdonks gebruik van kernwoorden tegen elk taalgevoel indruist'. (Siep Kooi in brief 2). Wie is die Kooi dat hij beschikt over alle taalgevoelens? Een volgende correspondent slaat de spijker op z'n kop. Iemands taalgebruik afkeuren heeft z.i. een diepere bedoeling: de “demonisering van de moedertaal van sommige medeburgers en daarmee van de medeburgers zelf.' (Koos Schreurs in brief 3). Ik zeg vanuit mijn taalcultuur (net als die van Verdonk een zuidelijke) bij voorkeur: Nederlands praten, zoals ik ook bij voorkeur zeg “stop' in plaats van “kurk'. Dan kunnen de mensen meteen horen uit wat voor cultuurje komt. Vroeger mòcht je dat niet kunnen horen. Van dat irreële standpunt zijn de taalkundigen allang teruggekomen. Er is trouwens geen boek met uitspraakregels voor het Nederlands. En er is ook geen boek dat me gelast Nederlands te spréken. De enige leidraad is een ieders taalgevoel. Van 't mijne heeft in ons politiek zo correcte land iedereen af te blijven. Als we met ons allen leren een vleugje Gronings, Limburgs of Amsterdams te accepteren dan komen die allochtonen wat later vanzelf wel aan bod.