“Onze taal is van betonijzer'

Paul Biegel, de nestor van het Nederlandse jeugdboek en de schrijver van klassieken als “Het sleutelkruid' en “De tuinen van Dorr', is nog lang niet uitgeschreven. Onlangs verscheen zijn nieuwe boek “Wegloop'. ,,Ik ben niet zo'n mensenmens'', zegt de 80-jarige sprookschrijver.

Toen de film Sneeuwwitje van Walt Disney in 1938 uitkwam, de eerste lange tekenfilm, had de jonge Paul Biegel er al maanden op gewacht. “Ik had er alles over gelezen, kende elk detail - bijvoorbeeld dat de personages drie vingers hadden in plaats van vier vingers zodat de makers in totaal miljoenen minder vingers hoefden te tekenen.'' In Nederland werd de film goedgekeurd voor veertien jaar en ouder, terwijl Biegel dertien was. “En toen zei mijn moeder: “Paul, we gaan toch'. Voor het eerst van mijn leven heb ik mijn moeder horen liegen, namelijk tegen de portier van de bioscoop: “Ja hoor, die jongen is veertien.' Zo heb ik de film toch gezien.''

Je zou Biegel zelf de Disney van het Nederlandse kinderboek kunnen noemen. Door zijn meer dan vijftig boeken trekt een stoet van koningen, prinsessen, kabouters, feeën, tovenaars, rovers en pratende dieren. Zelfs de min of meer realistische personages van Biegel behoren tot het rijk van de legenden, zoals de Odysseus-achtige kleine kapitein of de dokter die in de ban raakt van de vloek van Woestewolf. Biegels personages zijn verwanten van de sprookjesfiguren van de gebroeders Grimm en de avonturiers van Jules Verne - niet voor niets zijn favoriete schrijvers.

Paul Biegel behoort met wijlen Annie M.G. Schmidt en Guus Kuijer tot de grote schrijvers die het kinderboek een volwaardige plaats hebben gegeven in de Nederlandse literatuur. Ruim veertig jaar al bouwt Biegel, van wie net het boek Wegloop is uitgekomen, aan een uniek oeuvre. Zijn boeken zijn geheimzinnig, grappig, spannend en bovenal doordrenkt van een melancholie, die bijvoorbeeld haast hoorbaar is in het trompetje van de kleine kapitein. Het leverde hem drie keer een Gouden Griffel op, voor: Het Sleutelkruid (1965), De kleine kapitein (1972) en Nachtverhaal (1993). Bij de verkiezing van de Griffel der Griffels in 2004 waren twee van de zes genomineerde boeken van zijn hand.

Biegel is geen bestsellerauteur als Paul van Loon of Carry Slee, maar zijn boeken zijn altijd “heel aardig verkocht', zegt hij: “Genoeg om hier heel fijn te kunnen wonen''. Hier, dat is een huis aan een Amsterdamse gracht. In de woonkamer, waar het gesprek plaats heeft, lijkt in de halve eeuw die Biegel er woont weinig veranderd: een piano, een kleine salontafel die bijkans bezwijkt onder stapels boeken, een boekenkast waarin cd's en boeken om de ruimte vechten, een stokoud bureautje met een foto van Einstein.

Biegel - inmiddels 80 jaar oud - is een tengere man, broos en beweeglijk. Hij vertelt en vertelt. Van de wrok van Achilles - ,,Ik ben de Ilias weer aan het lezen, helaas lukt het me dat niet meer in het Grieks'' - tot de wrok van de moslims: “Die begrijp ik best. In de straten van Jeruzalem stonden de kruisvaarders tot hun knieën in het bloed en darmen van hun mohammedaanse slachtoffers.'' Maar niet over persoonlijke dingen - dat is de afspraak - alleen over het werk en de wereld.

Die wereld komt Biegel steeds vreemder voor “Dan zie ik door mijn raam mensen op straat lopen en denk: wat een raar wezen is dat eigenlijk, met die bungelende armen. Het meest vanzelfsprekende is het meest idioot.'' Of neem Mozart, wiens 250ste geboortedag dit jaar wordt gevierd: “Hij zette enkele luchttrillingen op papier en tweeënhalve eeuw later zit een zaal vol mensen daar muisstil naar te luisteren. Dat is toch eigenlijk zot.''

Zijn boeken zijn doortrokken van hetzelfde menselijke onvermogen om het bestaan te doorgronden. De dokter in De vloek van Woestewolf is wat je nu een verlichtingsfundamentalist zou noemen. “Spoken bestaan niet. Alles is te verklaren met de wetenschap', zegt hij, voordat hij een angstaanjagend lesje krijgt. De kleine kapitein aanvaardt de ondoorgrondelijkheid van het bestaan wel: “Zo gaat het in de wereld, maar daar heeft het verstand geen weet van.'

Gaan uw boeken over dingen waar het verstand geen weet van heeft?

“Mijn boeken drukken uit hoe weinig ik van het leven begrijp. Dat begint al bij de versmelting van de zaadcel met de eicel. Dat moet een ongelooflijke ervaring zijn: volledig opgaan in een ander - wat we zoeken in seks, denk ik. Wat vervolgens uit die bevruchting voortkomt, is een speling van het lot; Mozart of een kampbeul, Einstein of de bakker om de hoek. Daar kun je een filosofie aan wijden of een godsdienst, maar die verklaren niets. Het verstand is niet meer dan een buitenboordmotor op een logge zeilboot. Met goed weer stuurt de motor de boot bij, maar bij storm is die machteloos.''

Zijn uw personages daarom een speelbal van het lot? In “Anderland', uw versie van de keltische Brandaan-mythe zegt Bran over zijn reis: “Je doet het niet omdat je weet waarom.'

,,Mijn personages zijn bezield door een gedrevenheid die zij niet kunnen verklaren. Maar wat dreef Van Gogh om verf op een doek te smeren, wat Mozart om een reeks noten op papier te zetten?“

Die gedrevenheid, komt die van binnen of van buiten?

“Dat weet ik echt niet. Kijk hier ... [wijst op een biografie van paus Johannes XXIII die hij aan het lezen is] ... dit is een geweldige schets van hoe behendig de man opereerde, maar ook zie je dat zo'n man door iets wordt voortgedreven buiten hemzelf. Je kunt het god noemen, of “het'. Zoals in het verhaal van de boogschutter die in de leer gaat bij een Japanse zen-meester en na jaren oefenen eindelijk raak schiet. “Het heeft raak geschoten', zegt de meester dan. Niet: jij hebt raak geschoten. Dat “het' kan ik niet uitleggen, maar ik voel precies wat het is.''

Slaat dat op uw schrijven?

“De verhalen komen bij mij binnen. Je kunt dat niet sturen, maar je kunt jezelf er wel receptief voor maken. De voorstellingen in mijn geest krijgen op een gegeven moment vorm. Dan ontrolt zich in grote lijnen het verhaal. Dan kan ik de eerste zin gaan maken - daar ben ik soms een tijd mee bezig, want die bepaalt het verhaal. En dan gaat het. Ik stop met schrijven op het moment dat ik ga zitten te verzinnen. Wat ik dan opschrijf, gooi ik later toch weg, want dat leeft niet. Een verhaal moet zijn als een hond, niet als een pop. Het moet zelf bewegen, niet te veel bewogen worden.''

In heel veel boeken spelen meer verhalen door elkaar heen, bijvoorbeeld in “Het Sleutelkruid', met losse verhalen die de dieren vertellen om dierenkoning Mansolein in leven te houden. Hoe heeft zich dat ontwikkeld?

,,Bij toeval. In het begin van mijn schrijverschap maakte ik losse verhalen. Plotseling had ik de ingeving om alle verhalen van de dieren te laten vertellen aan één persoon, de oude koning. Later begreep ik uit kritieken dat dit een raamvertelling was. En daarna ben ik met allerlei vormen gaan spelen.''

In “De tuinen van Dorr' (1969) blijken de verschillende verhalen uiteindelijk één schitterend, gelaagd sprookje te vormen. Vindt u dit zelf ook uw beste boek?

“Het is heel goed gelukt. Ik heb er jaren aan gewerkt, naast mijn toenmalige baan als redacteur bij de Avrobode. Echt alles valt in elkaar, bijvoorbeeld de soldaat die aan het begin maar één schoen heeft en aan het einde met de schoen de heks dood schiet. Verder kan ik niet zeggen waarom het geslaagd is; wat weet een pianist van zijn aanslag? Inderdaad, het is mijn beste boek. Samen met De Soldatenmaker [uit 1994, over een jongen die door zijn eigen soldaatjes in een bloedige oorlog verzeild raakt]. Dat boek heeft maar één bezwaar: het is bedoeld voor kinderen met een leeftijd waarop ze al neerkijken op speelgoedsoldaatjes.''

In “De brieven van de generaal' zit een grappige scène tussen tante Mathilde en haar drie neefjes. ““Hoeveel is twee citroenen plus twee honden?'/ We zwegen. “Jij Knevi?'/ “Nou vier', zei Knevi./ “Vier wat?'/ “Nou', zei Knevi, “vier dingen'.“ Zoekt u hier de grenzen van de taal op?

“Het is bedoeld als aanklacht tegen de rekenles. Op school mocht je nooit appels en peren bij elkaar optellen en dat wilde ik nu wel eens doen.'' Dan, na een korte pauze: ,,Het is wel waar: de essentie van het bestaan is niet door het verstand te bevatten en daardoor ook moeilijk door de taal.''

Kan muziek dat wel?

“O ja. Een simpele melodie kan dat wel. Ik ben ook meer een man van muziek dan van literatuur; ik lees niet heel veel, want ik lees heel langzaam. Ik luister wel veel naar muziek, ik speel ook nog wel piano - maar niet zo veel meer als vroeger.''

Het is een bekend verhaal dat u werd afgewezen voor het conservatorium. Betreurt u dat nog?

“Helemaal niet. Het is een beestenbestaan als pianist, zo verschrikkelijk zwaar.''

In uw boeken staan altijd wel een paar liedteksten. Heeft u nooit overwogen die te laten toonzetten?

,,Het zijn woordspelen en die zijn niet geschikt om te zingen. De prachtigste liederen van Schubert zijn gemaakt op de banaalst denkbare teksten. Ik heb het libretto geschreven voor de kinderopera De roep van de kinkhoorn. Daarin heb ik de teksten ook zo simpel mogelijk gehouden om ze zingbaar te maken. Nederlands is een vreselijke zing-taal, van betonijzer dat je niet krom kunt buigen. Je zit in het Nederland zo vaak met een dichte klank op het eind - die dode “-en' bijvoorbeeld - terwijl het Italiaans aan het einde van een woord altijd open klinkt.''

Is het Nederlands ook als schrijftaal van betonijzer?

“Jazeker, ik had veel liever in het Engels of Frans geschreven. Het is heel moeilijk om het Nederlands te laten klinken. Alleen al die tussenvoegsels als “er' zoals in “er wel bij varen'. Het is daardoor lastig evenwichtige zinnen te maken. Bij het herschrijven pak ik ook zin voor zin bij zijn nekvel uit de tekst, zoals je bij puppy's doet, en weeg hem nog eens.''

De psychologie van de personages blijft in uw werk op de achtergrond. Heel soms worden emoties beschreven, zoals in “Wegloop'; daarin denkt hoofdpersoon Wegloop met weemoed terug aan zijn verloren vriend Colin. Waarom breken de emoties zo zelden door?

Een beetje afwerend: “Ik ben niet zo'n mensenmens. Ik begrijp de psychologie van mensen ook niet zo goed.''

“De Kleine Kapitein' besluit met een heel verrassende toespraak van de kleine kapitein, waarin hij zijn drie bemanningsleden prijst. Hij blijkt zijn reisgenoten wel degelijk te begrijpen. Net als u.

“Nou ja, voor mij hebben de meeste menselijke relaties zoals die tussen vrienden of familieleden iets vanzelfsprekends. Als je dat uit elkaar gaat halen, gaat het stuk. Ik vergelijk wel eens een haiku waarin de schoonheid van een plantje wordt beschreven met een gedicht van Tennyson, waarin een plant uit de grond wordt getrokken. Ik laat in mijn werk de plant liever heel.''

Is het niet een manier om zelf ook buiten schot te blijven?

“Het is ook een masker. Iedereen heeft in zijn omgang met anderen toch altijd een masker op.''

Zegt deze uitspraak niet vooral iets over uzelf?

“Ja, ik ben een man van maskers.''

U bent een echte verteller. Is al dat vertellen niet ook een manier om u schuil te houden.''

“Natuurlijk. U kent het verhaal van Moos die bij zijn jiddische mama komt - kijk, ik begin meteen weer een scherm van woorden op te trekken - en honderduit begint te praten, totdat zijn moeder zegt: “Moos, wat zit je veel te praten, heb je soms iets te verzwijgen?' Dat slaat ook op mij: ik verzwijg door te praten.''

U wilt niet spreken over uw persoonlijk leven. Maar u zou sommige persoonlijke dingen, zoals de langdurige invaliditeit van uw vader, toch kunnen verwerken in een boek?

“Nee, dat kan ik niet. Guus Kuijer kan zoiets heel goed, die weet het dan toch nog licht te houden. Prachtig hoe hij in Het boek van alle dingen beschrijft hoe de tirannieke vader op het laatste moment even aarzelt of hij zich niet zal aansluiten bij zijn feestende gezin: ongelooflijk knap geobserveerd. Bij mij worden dergelijke scènes alleen maar doffe ellende.''

U kan het toch voor u zelf doen?

“Nee, de innerlijke noodzaak van het schrijven van persoonlijke memoires voel ik niet. Van het vertellen wel. Of liever, de verhalen blijven gewoon komen.''

De boeken van Paul Biegel zijn voor het overgrote deel nog in druk, bij uitgeverij Holland. Uitgebreide informatie over de boeken is te vinden op www.uitgeverijholland.nl