Luns had zijn neus mee

Onderuitgezakt en met een misprijzende blik. Zo zat Ad Melkert erbij tijdens het roemruchte lijsttrekkersdebat laat op de avond van de gemeenteraadsverkiezingen in maart 2002. Schuin tegenover hem aan tafel zat een exuberante en raillerende Pim Fortuyn. Ontmaskerend was de expressie van Melkert; bevestigend daarentegen de stijl van Fortuyn. Zelden in de recente Nederlandse politiek kwamen lichaamstaal en politiek momentum op een dergelijke wijze samen in een winnaar en verliezer.

De wijze waarop fysiek voorkomen onderdeel vormt van politieke stijl en politiek handelen staat centraal in Machtige lichamen. Inspiratie voor deze bundel ontleenden de samenstellers aan de “body history' die sinds enkele decennia in de Angelsaksische landen furore maakt en die nu ook in Nederland navolging krijgt.

Een van de vragen die in dit boeiende boek wordt opgeworpen, is of het lichamelijke een schijnvertoning is die afleidt van de ware macht of dat het een integraal onderdeel is van de wijze waarop macht gestalte krijgt en ontstaat. Dat Fortuyn bij uitstek een contemporain politicus was voor wie de vorm waarin hij zich presenteerde, belangrijk was voor zijn succes, daar is iedereen het wel over eens. Zijn Oger-kostuums, kale kop of speelse ironie waren integrale bestanddelen van de persoon die hij ten tonele voerde. Maar ging het bij Fortuyn alleen om erkenning van persoonlijke kwaliteiten, zoals auteur Doeko Bosscher vermoedt? Wilde Fortuyn het politieke establishment echt binnendringen of alleen maar bespotten? Dat Fortuyns dandyisme diens succes mede verklaart, zoals Dick Pels eerder beweerde in De geest van Pim, overtuigt hem allerminst. Bosscher, die zijn minachting voor zoveel buitenkant nauwelijks kan onderdrukken, benadrukt dan ook vooral het ongrijpbare van Fortuyn.

De artikelen maken voor alles duidelijk dat het lichamelijke met name een grote rol speelt in de strijd van outsiders, oppositionele groeperingen of “politieke verliezers'. De inzet van het eigen lichaam is bij uitstek een geschikt middel om politieke doelen kracht bij te zetten. De Britse suffragettes - strijdsters voor vrouwenkiesrecht - gingen begin 20ste eeuw in hongerstaking en droegen bepaalde kleding om hun eisen te onderstrepen. Maar ook bij de opstandelingen van de Parijse Commune in 1871 of de eisen van de Nederlandse socialisten rond 1900 waren de - letterlijk - fysieke eigenschappen van politieke strijd voelbaar. Politieke strijd is theater. En het lichamelijke is hierbij een machtig teken.

Ook in de verbeelding van leidersfiguren, die kunnen uitgroeien tot idolen, speelt het lichamelijke een belangrijke rol. Fysieke eigenschappen schragen retorica, overtuigingskracht, in het parlement en in - steeds belangrijker - de omgang met media. Neem wijlen Joseph Luns. Alles aan hem was lang: zijn politieke carrière als minister van Buitenlandse zaken en later als secretaris-generaal van de NAVO, maar ook zijn postuur en zijn neus. Vasthoudend en unverfroren was hij ook, waarvoor zijn priemende vinger symbool staat, aldus Jan Willem Brouwer en Ine Megens in hun bijdrage. Om al deze eigenschappen was hij een van de weinige politici van zijn generatie die Charles de Gaulle, ook al zo'n toonbeeld van lichamelijkheid, recht in de ogen konden kijken.

In tegenstelling tot de rijzige Franse president was Luns niet alleen een onderhoudend spreker, maar hij kon ook de clown uithangen. Dat hij dwingend overkwam staat niet los van zijn natuurlijke omgang met pers en media. Luns was volgens de auteurs een van de eerste Nederlandse politici in de jaren zestig die het nieuwe medium televisie wist te gebruiken ten behoeve van zijn imago. Als de camera draaide, was Luns in zijn element. Dat is tevens het enige, maar daarom niet minder veelbetekenende aspect, dat deze insider met outsider Fortuyn gemeen had.

Zijn het fysieke en lichamelijke in de politiek daarmee een uitvinding van de modernste tijd, enkel en alleen gerelateerd aan het mediatijdperk? Nee, verre van. Uit Jan Willem Drijvers' bijdrage blijkt hoezeer in het vroege Romeinse keizerrijk de fysieke aanwezigheid van de keizer van groot belang was. Ze lieten zich uitbeelden als militaire bevelhebbers of goden op schilderingen, munten of via standbeelden. Overigens werden vaak alleen de hoofden realistisch verbeeld. Bij de torso's ging het veeleer om een idealistische uitbeelding, niet alle keizers zullen jong, atletisch en welgevormd van gestalte zijn geweest.

Met de intrede van televisie hebben dergelijke beelden van uiterlijk en uiterlijke schijn een veel bredere verspreiding gekregen. Voor de vraag in hoeverre dit aspect van uitvergroting via de media tevens leidt tot essentiële veranderingen in politiek en politieke stijl is helaas geen plaats ingeruimd in deze bundel. Maar dat het lichaam en het lichamelijke eigenaardige en fascinerende krachten zijn in de politiek, toen en nu, zoveel maken de verspreide bijdragen uit Machtige lichamen duidelijk. De boodschap van de samenstellers gaat zelfs nog een stapje verder: al willen we er niet altijd aan, ook in de Nederlandse democratie zijn vorming en behoud van macht niet (en eigenlijk: nooit) alleen gebaseerd geweest op rationele overwegingen. Dat geldt trouwens ook voor verlies van macht. Melkert kan daar over meepraten.

Catrien Santing, Henk te Velde, Margrith Wilke (red.): Machtige lichamen. Het vingertje van Luns en andere politieke wapens. Wereldbibliotheek, 237 blz. euro 16,50