Leef je eigenlijk nog?

In de National Archives in Londen liggen de dossiers van duizenden gekaapte schepen. Daarin bevinden zich evenzovele Nederlandse brieven, geschreven in de 17de en 18de eeuw en deels ongelezen. “Al die stemmen willen gehoord worden.'

Pieter Pletsz moet wanhopig zijn geweest. Pieter Pletsz was al dertig jaar accijnsmeester te Curaçao in dienst van de West-Indische Compagnie (WIC). Hij had altijd hard gewerkt, verdiende 25 gulden in de maand en had een vrouw en zes bloedjes van kinderen. Door de oorlog (de Vierde Engelse Oorlog) kon hij zijn gezin niet meer voorzien van “behoorlijk voedsel' en van “burgerlijke kleeding'. Daarom richtte hij zich op de avond van de 14de januari 1783 “door hooge nood gedrongen' in de meest onderdanige bewoordingen tot zijn broodheren, de directeuren van de WIC. Hij zette zijn “deplorabele Toestand' uiteen en verzocht om een betere baan. De brief zou met het schip America via Emden in drie maanden in Nederland kunnen zijn. De heren in Nederland moesten nog vergaderen - daar gingen nog eens twee maanden overheen - en dan zou er post terugkomen met hun beslissing. Alles bij elkaar zou Pieter Pletsz in acht tot tien maanden uitsluitsel kunnen krijgen.

Nog iemand anders zat in diezelfde dagen nijver te schrijven, een zekereF. Bonsak, boekhouder van de VOC te Batavia. Hem ging het niet slecht. Hij had carrière gemaakt en verdiende wat bij als huisleraar en als voorzanger in de Lutherse kerk. “Veel klijnjes zegt men maaken een Groote', zo schreef hij opgewekt. Die brief werd verzonden aan een vriend in Amsterdam die hem weer aan zijn vrouw Leentje moest geven. In een haastig naschrift erkent Bonsak dat hij wat slordig had geschreven. Dat kwam niet, zoals zijn vrouw ongetwijfeld zou denken, omdat hij dronken was geweest, maar omdat hij de brief 's nachts in het donker had geschreven.

In diezelfde tijd zat ook Luitske Simons te pennen. Erg goed ging haar dat in haar hanenpoten niet af. Luitske woonde in Nieuwendam en schreef haar man Teunis Dekker, die als loods bij Texel werkte. Ze was zwanger en niet helemaal gezond. 's Morgens nam ze daarom een glas rode wijn en 's avonds 25 druppels medicijn. Met hun zoontje Henne ging het goed, zelf ging ze alweer naar de kerk en ze hoopte dat Teunis spoedig thuis zou komen.

Drie brieven, drie levens, drie stemmen van Nederlanders uit drie continenten. Ze hebben meer gemeen dan het moment van schrijven en de eeuwen die inmiddels zijn verstreken. Deze drie brieven geven inzicht in het dagelijks leven van mensen die in geen geschiedenisboek voorkomen; ze zijn allang vergeten, het is bijna onmogelijk dat er nog een familieherinnering voortleeft. Wat de briefschrijvers verbindt, is dat hun brieven geschreven, verzegeld en verzonden zijn, maar nooit aangekomen. De geadresseerde heeft ze nooit kunnen lezen, sterker nog: de enveloppen zijn zelfs nooit geopend. Pas enkele maanden geleden werd - althans aan mij - na 225 jaar duidelijk wat de zorgen van Pieter Pletsz, de voorspoed van F. Bonsak en de besognes van Luitske Sijmens zijn geweest. In de studiezaal van de National Archives in Londen had ik als eerste de mogelijkheid om te lezen wat hun op het hart lag.

In dit archief liggen niet alleen deze drie brieven, er liggen er nog duizenden en duizenden meer. Nederlandse brieven, twee- tot driehonderd jaar geleden geschreven in Nederland, in Suriname, op Curaçao en Sint Eustatius, in Batavia, Kanton en Kaapstad, in Sint Petersburg en Venetië. En nooit aangekomen. Ze liggen daar al sinds hun komst in Engeland te wachten op, tja op wat? De geadresseerden zijn er al lang niet meer. Ze zijn overleden zonder ooit te hebben geweten wat er in die brieven stond.

Waarover schreven zij? Voor romantici is dit geen goede bron. Het leven was niet aardig vroeger. Je kon maar beter niet op reis gaan. Dat wil niet zeggen dat de thuisblijvers gelijk hadden. Men schreef veel over gezondheid, over oorlog en ziekte, maar voordat deze onderwerpen werden aangeroerd werd de hamvraag gesteld: leef je eigenlijk nog? We hebben al zolang niets van je gehoord. We hebben toch al drie brieven geschreven en dat kost ons allemaal geld. Je antwoordt niet. Waar ben je? Je laatste brief dateert van anderhalf jaar terug. Je schreef dat je toen gezond was. Wij zijn ook gezond, al is oom Hendrick overleden, is nicht Jacoba in de kraam gestorven en zal buurman Claes Cornelisz. het niet lang meer maken. Verder gaat het goed. We hopen dat het met jou ook zo zal zijn, waarna de standaardfrase volgt “ware het anders het zoude ons van harte leed doen'.

Ware het anders.

Vaak was het anders. De ander was al dood, had geen zin om te schijven en als hij dat al gedaan had, dan was het maar de vraag of de brief aankwam. Menigmaal, wat zeg ik, tienduizenden malen is dat niet gebeurd. De bewijzen daarvan liggen in deze dozen.

Ik heb die duizenden brieven lang niet allemaal kunnen lezen; ik heb de meeste brieven niet eens uit de enveloppe gehaald, daar was de tijd te kort voor. Maar de indruk van wat ik wel gelezen heb, is dat heel veel brieven in mineur zijn gesteld. Het zijn brieven van gemis. De ander is weg. En onzeker is of en wanneer hij terugkomt. Het is oorlog of er dreigt oorlog. En in Nederland is er altijd wel een strenge winter geweest, een overstroming, een muizenplaag. Het dorp is half weggespoeld, de prijzen zijn gestegen. Aan de andere kant van de aardbol was het natuurlijk juist heet en had men de driedaagse koorts en vreemde zweren. Eén ding maken deze brieven duidelijk aan wie het nog niet wist: het was een harde wereld, zelfs in het welvarende Nederland en zijn overzeese vestigingen. En niet te vergeten op zee. De kwetsbaarheid, de machteloosheid van elk individu spreekt uit elke regel. De overheid stond ver weg, het justitieel apparaat functioneerde krakkemikkig, politie bestond eigenlijk niet, er was geen sociaal vangnet en de medische wetenschap had goed beschouwd weinig méér te bieden dan aderlating en dubieuze brouwsels en pillen. Tegen alle tegenslag leek maar een ding te helpen: geduld en godsvertrouwen. Veel keus had je niet.

Toch - al waren ze in de minderheid - grepen ook optimisten, Lebensbejahers naar de pen. Neem schipper Jan Adriaensz. Danser, die in 1655 in de haven van het Deense Sönderborg voor zijn vrouw in Amsterdam een vrolijk liefdeslied schreef van vier coupletten, dat gezongen kon worden op de wijs van “Wilt mij niet beschamen'. Of de bovengenoemde Bonsak, die zo in zijn nopjes was met zijn verdiensten, zijn twee slaven en de koets met twee paarden.

Hoe komen die brieven in Engeland? Waarom zijn ze niet bezorgd in de Anjeliersstraat in Amsterdam, het derde huis vanaf de Prinsengracht, of aan de Leuvehaven te Rotterdam, bij de postmeester te Zwolle, aan de Tijgergracht in Batavia, of bij de pakhuismeester op Sint Eustatius? Aan de adressering lag het niet. Die was duidelijk. En de porto was betaald. Waarom heeft nog niemand die brieven gelezen?

Ze zijn ooit aangetroffen op Nederlandse schepen die waren buitgemaakt door Engelse kapers. Kaapvaart was een gelegitimeerde vorm van particuliere oorlogsvoering ter zee. In tijden van oorlog verstrekte de hoogste overheid van een land aan de eigenaar van een schip een kaperbrief. Die eigenaar mocht dan een schip uitreden, bemannen en bewapenen en het het zeegat uitsturen. In zo'n kaperbrief stond precies vermeld tegen welke vijand, in welk gebied en in welke periode de kapitein van dit kaperschip op mocht treden. Wanneer hij een vijandelijk schip had buitgemaakt, kon hij dat naar zijn thuishaven brengen, waar schip en lading werden geveild. De opbrengst werd verdeeld tussen de eigenaar en de bemanning. De bemanning van het gekaapte schip verdween in de gevangenis, tot de oorlog was afgelopen.

Het innen van de opbrengst was geen gemakkelijke zaak. Eerst moest namelijk worden vastgesteld of de kaping wel volgens de regels was verlopen. In Engeland vervulde het High Court of Admiralty deze taak. Het hof stelde de rechtmatigheid van de kaping vast op basis van verhoren van de kapers en van bemanningsleden van het gekaapte schip, en aan de hand van de aan boord aangetroffen papieren, de zogeheten Prize Papers. Hier komen de brieven in zicht. Schepen hadden altijd papieren aan boord: passen, vrachtbrieven, ladinglijsten, logboeken, gezondheidsverklaringen, seinbrieven, navigatie-instructies, kaarten en vaak ook postzakken. Bovendien bewaarden opvarenden soms hun eigen papieren in hun scheepskist en daartussen zit vaak correspondentie van jaren. Al deze papieren werden in beslag genomen en deels vertaald in het Engels. Ze dienden als bewijsmateriaal voor de rechtbank. Was eenmaal vastgesteld dat de kaper zich aan de regels had gehouden, dan werd de buit tot een right and lawfull prize verklaard en kon de zaak worden geveild.

Tussen de veertiende en negentiende eeuw hebben de Engelsen tientallen oorlogen gevoerd met Fransen, Spanjaarden, Portugezen en Nederlanders in de eerste plaats, maar ook met Zweden, Denen en Amerikanen. In al die oorlogen was kaperij een vanzelfsprekend verschijnsel, dat ook bij andere landen gebruikelijk was. Engelse kapers moeten tienduizenden schepen hebben buitgemaakt. En van al die gevallen zijn dossiers aangelegd. Het archief van het High Court of Admiralty meet dan ook honderden meters. En daartussen liggen ook de Nederlandse dossiers. Het aantal gekaapte Nederlandse schepen is nooit geteld, maar volgens mijn berekening zijn het er minimaal 4.000 geweest. En in die duizenden dossiers bevinden zich vaak brieven.

Dat alles was niet helemaal onbekend, maar er stond gewoon niet vast om hoeveel brieven het nu eigenlijk ging, uit welke periode ze dateren en van waar naar waar ze waren verstuurd. Daarom heeft de Koninklijke Bibliotheek in 2004 het project Sailing Lettters opgezet, dat tot doel heeft deze brieven te inventariseren. Het werd gefinancierd door de Samenwerkende Maritieme Fondsen, die mij in staat stelden zes maanden inventariserend onderzoek in de National Archives te doen.

Zes maanden lang heb ik honderden archiefdozen vol prize papers onderzocht. Wat ik na het lichten van het deksel te zien kreeg, was elke keer een verrassing. Vaak was het een chaotische mengeling van stukken papier, opgerold, gevouwen, uitgevouwen, gescheurd, vermengd met perkamenten documenten, scheepspassen en kaperbrieven. Daartussen bevond zich als strooigoed stukjes papier, touw en karton, zegellak, blikken dozen, en zelfs portefeuilles en sleutelbossen. Ook notitieboekjes, almanakken, kranten, kasboeken en rekeningen behoorden tot de vondsten. Alles overdekt door een dunne laag stof. Soms had iemand, in de vorige eeuw, een poging gewaagd om enige orde aan te brengen, een ijverige werkstudent of een gepensioneerde volontair. Daar resteerde niet veel meer van dan wat gele briefjes die met een roestige paperclip aan een bundel papier waren gehecht. Hun moet al snel de moed in de schoenen zijn gezonken bij de aanblik van zoveel Nederlands gekrabbel. En zo bleef het in die dozen een chaos. Mijn handen werden binnen een uur zwart, de Oprechte Haerlemsche Courant, de Goudasche Courant en de Surinaamsche Courant brachten weinig nieuws en een acute infectie in mijn rechterbeen werd geweten aan een geheimzinnig micro-organisme, dat zich jaren schuil had gehouden in een pakketje met Zuid-Afrikaanse zaden. Ik voelde me op een verlaten sorteerstation van een lang vergeten postkantoor.

Langzaam maar zeker slaagde ik erin de inhoud van de dozen te taxeren. Kijk, dit is achttiende-eeuws, waarschijnlijk derde kwart. Dat daar is Frans, want blauw postpapier, deze brief is Nederlands, maar dat journaal in diezelfde doos is geschreven op een dik grof papier, bijna vilt. Dat tref je alleen aan op Deense schepen. Hoort die brief nou bij dat Deense schip of heeft die voluntair die er in 1935 per ongeluk bij gelegd? En dan al die scheepspapieren. De zeevaart had toen ook al zijn eigen bureaucratie met zijn zeepassen, betalingsbewijzen voor konvooi- en licentgelden, tol- en havengelden, cognossementen, ladinglijsten, stuwagelijsten, rekeningen, notariële akten en monsterrollen: papieren die doorgaans na afhandeling van een reis werden weggegooid, maar die hier bij elkaar zijn gebleven als getuigen van eeuwen Nederlandse zeevaart. Vaak ook, eerlijk is eerlijk, waren de dossiers met een lint eromheen, keurig gebundeld door een nijvere klerk.

Duizenden brieven zijn door mijn handen gegaan. De teller van mijn database staat op 37.906. Zestig procent is van zakelijke aard, de rest is persoonlijk. Het merendeel dateert uit het eind van de achttiende eeuw. In die periode vielen de Vierde Engelse Oorlog (1780-'84) en de oorlogen die wij als bondgenoot en later onderdeel van Frankrijk met Engeland uitvochten. Het merendeel van de brieven was correspondentie tussen Nederland en West-Indië. Brieven over de prijzen van peper, kaneel en katoen, suiker, koffie en slaven, over ladingen die beschadigd zijn, over voorraden, over schepen die zijn aangekomen of juist niet, en over het dagelijks leven in Suriname, Essequibo en de aangrenzende gebieden Essequibo en Demarary. Plantagerapporten, lijsten met WIC-personeel en slaven. Ook brieven van en naar Oost-Indië zijn goed vertegenwoordigd en in mindere mate correspondentie binnen Europa.

En dan zijn er de duizenden particuliere brieven. Van vaders, moeders, ooms en tantes, broers en zusters, dochters en zonen vanuit Nederland naar verre streken en vice versa. Uit Batavia, Bengalen, Kaapstad, Paramaribo, Rotterdam, Groningen, Amsterdam of Terschelling. Duizenden stemmen op papier. Meestal in het Nederlands, maar ook in het Frans, Spaans, Portugees, Duits, Grieks en jiddisch. In allerlei stijlen, van formele missiven en familiaire epistels tot onbeholpen hartekreten. Ook van kinderen.

Ik zie ze schrijven op wankele tafels, met hun ganzeveren - die ik ook nog wel eens aantrof in een scheepsjournaal - thuis bij een kaars, in de taveerne bij een olielampje, in Batavia in het pakhuis of in een barak. Soms ook moet iemand, analfabeet, naar een beroepsschrijver zijn gelopen die routineus en tegen betaling de gewenste zinnen vol lief en leed neerschreef.

Deze brieven wijken af van de zeventiende- en achttiende-eeuwse brieven die al bekend zijn uit Nederlandse archieven. Dat zijn brieven van de elite. Die had ook last van kou en jicht, en menig vrouw stierf in het kraambed, maar dat is toch iets anders dan het leven van deze koopmansknechten, boekhouders, zeelieden, timmermannen, soldaten en kleine krabbelaars hier en overzee. Dat is het bijzondere van deze papieren goudmijn. Hier ligt materiaal voor tientallen studies. Men kan er commerciële netwerken op microniveau bestuderen, men kan een onderzoek doen naar het dagelijks leven op Sint Eustatius of in Paramaribo in 1780 of van Batavia in 1795.

De scheepspapieren bieden de mogelijkheid een inzicht te krijgen in de effecten van de kaapvaart op de Nederlandse economie en in de achtergronden van de zeevarenden. Je kan lezen hoe en wat echtgenoten elkaar schreven, hoe ze over hun kinderen dachten, over zichzelf, over God en over de toekomst. Van enkele personen zijn voldoende brieven aanwezig voor een biografische schets. Deze brieven bieden ook de mogelijkheid om de Nederlandse taal te bestuderen van gewone mensen, dat wil zeggen van taal die dichter bij de spreektaal staat dan die we in ambtelijke en literaire teksten tegenkomen.

Al die stemmen liggen opgeborgen in de dozen in The National Archives. Ze willen eruit. Ze willen gehoord worden door historici, neerlandici en andere onderzoekers. Joachim van Oosterzee, die in de vroegste brief, uit 1638, vanuit de Kaapverdische Eilanden schrijft aan zijn zuster waarin hij belooft schelpen, vogeltjes en een “guinees kettinkje' voor haar mee te nemen. Of het meisje in Paramaribo dat een hartverscheurende brief schreef aan haar vriend die haar had verlaten. Hij heet: J.W. Krafft en hij was kapitein luitenant ter zee. Ik weet ook waar hij woont: op de Schotse Dijk in Rotterdam. Dat dit nu in de krant staat zal hem leren.

Het Griekse moedertje in Smyrna dat een brief liet schrijven aan haar zoon, die in Amsterdam in de koophandel was gegaan en nooit meer iets van zich heeft laten horen. Ook naar haar moeten we luisteren. En naar Betje Wolff en Aagje Deken, die op hun oude dag vanuit Den Haag aan een avontuurlijke neef in China schreven.

En niet te vergeten naar de verwanten van de opvarenden die aan hun zonen, echtgenoten en geliefden schreven, die wegkwijnden in Engelse gevangenissen. Met adressen als “Tomas Poulie, krijgsgevange tot noman cros van 't schip de sarie'. Of “Gerard Vos. Presonier op het schip Jan damaso In de haven van pormout [Portsmouth] In Engeland'.

Roelof van Gelder, historicus en redacteur van deze krant, deed in opdracht van de Koninklijke Bibliotheek van mei tot december 2005 in de National Archives in Londen onderzoek naar de “prize papers' . M, het magazine van NRC Handelsblad, publiceert vanaf maart een brief uit de “Prize Papers'. De database van “Sailing Letters' is binnenkort te raadplegen (www.kb.nl/sailingletters). De archiefgegevens komen in verkorte vorm ook beschikbaar op www.nationalarchives.gov.uk. Zoeken in de Catalogue in HCA 30, 32 en 49.