In Irak is alles in orde

My Year in Iraq, de herinneringen van de Amerikaanse topbestuurder Paul Bremer aan zijn verblijf in Bagdad (mei 2003-juni 2004), kent veel onbedoeld komische momenten. Een ervan vindt plaats in april 2004. Het is een somber stemmende maand voor de coalition of the willing. Het geweld buiten de Groene Zone, het zwaar beveiligde complex van de Amerikanen in Bagdad, is sterk toegenomen. In Bagdad regent het bommen en granaten. In het westen en zuiden van Irak woeden opstanden onder leiding van Al-Qaeda terrorist Abu Musab Zarqawi en de Shi'itische stokebrand Moqtada al-Sadr. Vanuit zijn commandopost is Bremer twintig uur per dag in de weer met crisismanagement.

En dan, in het heetst van de strijd, krijgt hij een verslag van de CIA onder ogen: vier pagina's waarin de desintegratie van Irak wordt voorspeld. Bremer knapt zowat van verontwaardiging: doemdenkers, die geheim agenten! De CIA is volgens hem “getraumatiseerd' en daardoor alleen nog maar in staat negatieve rapporten te schrijven.

Deze episode is kenmerkend voor My Year in Iraq. Het boek behandelt drie werelden: Irak buiten de Groene Zone waar chaos, geweld en anarchie heersen; de microkosmos van de Groene Zone zelf, waar “onderkoning' Bremer met een selecte groep Amerikanen, Britten en Irakezen dag en nacht in de weer is met het smeden van een (voorlopige) grondwet en een (interim) regering; en daarnaast de regering in Washington, vooral het ministerie van defensie, waar minister Rumsfeld voortdurend aandringt op terugtrekking van de troepen en een snelle soevereiniteitsoverdracht.

Om de illusie in stand te houden dat zijn werk succesvol is, moet Bremer de boze buitenwereld van Irak en ongedurige bureaucraten in Washington buiten de deur houden. En dus schotelt hij de lezer een minutieus verslag voor van de onderhandelingen die uiteindelijk daadwerkelijk leiden tot de ratificatie van de grondwet en de vestiging van een regering. Als zijn werk erop zit verklaart hij zijn missie tot een succes, stapt in een vliegtuig en reist terug naar Amerika.

Dat terroristen, milities, bandieten en ander gespuis buiten de Groene Zone hun gang mogen gaan ontgaat Bremer weliswaar niet, maar hij kan er geen verantwoordelijkheid voor nemen: daarmee zou hij zijn reputatie als topdiplomaat en rasbestuurder om zeep helpen. Evenmin staat hij zichzelf toe lang stil te staan bij de tegenwerking vanuit Washington voor zijn “project democratie': dat zou maar aan zijn motivatie knagen.

Wél gaat Bremer op zoek naar degenen die het “succes' in Irak buiten de Groene Zone in de weg staan. Daarbij dient zich een klassieke vijand aan: de zuurpruimen van de pers. Journalisten zouden alleen berichten over de “vernietiging' die wordt aangericht door opstandelingen en niet over positief nieuws als de opbouw van scholen en de irrigatie van kanalen. Daarmee ondermijnen ze de wederopbouw en stabilisatie van het land, houdt hij een bezoekende Amerikaanse parlementsdelegatie voor. Boodschap: net als in die andere oorlog in Vietnam zouden journalisten met hun verslaggeving de vijand een handje helpen. Ze hebben zelfs de euvele moed gevallen Amerikaanse soldaten niet als helden te portretteren, maar als slachtoffers. Daarmee ondermijnen ze het moreel van de strijdkrachten.

Zonder Zarqawi en al-Sadr, zonder CIA en de pers had Bremer het succesverhaal kunnen schrijven waar hij nu zo krampachtig naar streeft. Als zijn werkterrein alleen had bestaan uit een Groene Zone was dit zelfs een voortreffelijk boek geweest. Nu denk je: op Irak heeft hij geen greep gekregen.

L. Paul Bremer: My Year in Iraq. The Struggle to Build a Future of Hope. Simon & Schuster, 417 blz. € 24,95 De Nederlandse vertaling is verschenen onder de titel Na Saddam bij Balans, 428 blz. € 19,50