Hoe het zit? Joost mag het weten

Het moet een heel aparte kunst zijn om een roman van Nachoem M. Wijnberg te schrijven. Eigenlijk kan alleen Nachoem M. Wijnberg dat. De opvolging is alweer zijn vierde, na ook nog een tiental dichtbundels, en er valt opnieuw geen touw aan vast te knopen - of een oneindig aantal touwen. Bij zo'n curieuze roman kun je maar het beste fenomenologisch te werk gaan. Dat wil zeggen: beschrijven wat erin voorvalt, zonder meteen aan interpretatie te denken.

De opvolging bestaat uit vijftien hoofdstukken, die elk weer bestaan uit korte alinea's met beschrijvingen en dialogen, van elkaar gescheiden door witregels. De hoofdstukken verwijzen elk naar een dag: van “De dag van de eerste toneelvoorstelling' tot en met “De dag van de seizoenen'. Het zijn de dagen van een niet nader aangeduid bedrijf, dat wordt opgericht, een tijdlang min of meer functioneert, en dat tenslotte ten onder gaat. Of beter gezegd: wanneer het geduld van de schuldeisers op is (het bedrijf draaide kennelijk op geleend kapitaal zonder dat daar voldoende inkomsten tegenover stonden), worden de “bazen' ontslagen.

Een van die bazen, Seth geheten, zou je de hoofdpersoon kunnen noemen, al komen we over hem nauwelijks iets meer te weten dan over de andere bazen, de bedrijvendokters, de secretaresses (er blijken “goede' en “slechte' te zijn, soms verenigd in een en dezelfde persoon), de bedelaars, de ex-sporters en de kinderen. Ik geef het hier net zo vreemd en ondoorgrondelijk weer als het in de roman staat. Het enige wat zeker is, is dat zij allen iets met het bedrijf te maken hebben.

In het bedrijf worden “installaties' ontwikkeld, bijvoorbeeld een “springinstallatie', die zelfs “het hart van het bedrijf' wordt genoemd. Maar wat we ons er precies bij moeten voorstellen, blijft onduidelijk. Het in elkaar zetten van die installaties gebeurt overigens in “fabrieken in andere landen', de productie is uitbesteed aan zogeheten “arme kinderen', van wie er soms een paar bij het bedrijf opduiken, waar ze vervolgens in het “verdwijnhuis' worden ondergebracht of ook wel tot “baas' worden gemaakt.

“Wat overblijft is onderzoek en ontwikkeling, de verkoop en de leiding van het bedrijf als geheel', lezen we op een gegeven moment. Toch krijg je niet de indruk dat men zich erg vlijtig met deze zaken bezighoudt, hoewel (of omdat) er vrijwel permanent wordt vergaderd. Typerende passage: “Iris komt binnen. Ben ik te laat voor de vergadering? Nee, jij bent te vroeg; we zitten nog in de vorige vergadering'.

Tijdens die oeverloze vergaderingen gaat het over toneelspelen (vooral de koningsdrama's van Shakespeare, “de beste zakenman van de toneelschrijvers', zijn erg in tel met hun koningen en hun clowns), over de opvolging, met als voorbeeld lijsten van koningen bij de Hettieten en de Angelsaksen, over Rome en de klassieken, over gedichten of fragmenten van gedichten die bij “de bedelaar' worden betrokken (waaronder een “lang opvolggedicht'), over de vraag of ook een baas, net als een bedrijvendokter, uren moet “schrijven', of het zin heeft een “vergadervakantie' te houden (waarin elders verder vergaderd wordt), en ga zo maar door.

Waar het allemaal op slaat - joost mag het weten, al is het natuurlijk mogelijk om er een persiflage van onze niets meer zelf makende, geglobaliseerde en gebureaucratiseerde “kenniseconomie' in te zien. Kennelijk heeft Wijnberg niet veel fiducie in deze vorm van postindustriële bedrijvigheid, want waarom worden de bazen van het bedrijf anders op straat gezet (in het laatste hoofdstuk) door “Personeelszaken' en de “vertegenwoordiger van de schuldeisers'? Leven we misschien boven onze stand? Maar wat hebben die gedichten en toneelstukken ermee te maken? Is economie soms toneelspel? Of poëzie?

Een roman als De opvolging, zonder psychologie, met slechts nominale personages en samengesteld uit ogenschijnlijk willekeurige elementen, kun je alleen in milde verbijstering lezen. De verbijstering betreft de ongenaakbare vanzelfsprekendheid waarmee de - kleurloze, zakelijke - zinnen elkaar desondanks opvolgen; mild is die verbijstering, omdat ze nauwelijks sporen nalaat. Hoogstens veer je even op bij een melige uitschieter als “Weet een van ons een grap om het ijs te breken als het water om onze boot plotseling bevroor?' of “Als de grap te veel pijn doet roep je om een dokter; dat is een doktersgrap'.

Tot een energiekere reactie op dit even zotte als autistische geheel ben ik niet in staat: het is alsof ik kijk naar een man die zich bescheurt om zijn eigen grap, zonder dat iemand 'm snapt. Mocht Nachoem M. Wijnberg méér verlangen, dan raad ik hem aan de volgende keer een boek over de profeet Mohammed te schrijven.

Nachoem M. Wijnberg: De opvolging. Contact. 190 blz. euro 19,90