Het Grote Amerikaanse Huilverhaal

Nadat bekend werd dat de “ex-junkie' en Oprah-auteur James Frey zijn fantasie te veel de vrije loop had gelaten, heeft zich in Amerika een drama van Clintoniaanse proporties ontsponnen. Vanwaar de morele verontwaardiging over deze aangedikte memoires?

Hij was verslaafd aan crack, coke, benzine, alcohol en speed. Hij was een junk, een alcoholist en een crimineel die in drie staten werd gezocht. Hij zocht hulp in een ontwenningskliniek. Daar waren alleen nog koffie (opwekkend) en sigaretten (vertragend) geoorloofd. “Het is leuk spelen met de hoeveelheid en het niveau en het is leuk om de roes te manipuleren'. Hij knapte op en tekende zijn ervaringen op in A Million Little Pieces (“In duizend stukjes').

Oprah Winfrey las het en prees het boek over de wederopstanding van de ex-verslaafde Michael Frey op televisie aan. De verkoop steeg en hij reisde de wereld rond om zijn boodschap uit te dragen. Nadat internet-magazine thesmokinggun.com Frey van bedrog had beticht, steunde Oprah Winfrey in eerste instantie de schrijver door aan te geven dat het om een “emotionele waarheid' ging. Daar kwam ze op terug. Ze riep Frey ter verantwoording en nagelde hem in het openbaar aan het kruis.

Frey ontkende aanvankelijk, maar gaf later toe dat de bevindingen van thesmokinggun.com 'accuraat' waren. Frey's bedrog heeft een discussi ontketend over de vraag hoe ver een schrijver mag gaan met liegen, aandikken en verzinnen in zijn eigen memoires? Niet alleen Frey moest zijn excuses aanbieden. Ook zijn uitgever en redacteur werden door Oprah Winfrey ter verantwoording geroepen.

James Frey had zijn manuscript aanvankelijk bij verschillende uitgevers onder diverse noemers aangeboden. Als “fictie', “non-fictie' en als “memoires'. Alleen als “waar gebeurde memoires' kon hij het slijten. Wie het boek als “echt gebeurd' leest, treft een wat oppervlakkig zelfhulpboek aan. Je raakt een beetje verveeld door alle bozige spuit-, slok- en slikverhalen, met de overdreven aandacht voor fysieke sensationele details (“Onder beide ogen zitten zwart-gele kneuzingen. Overal zit bloed, vers en geronnen').

Wie het boek als “fictie' probeert te waarderen, is ook niet helemaal tevreden: het is te gewild literair. Het barst van de ultrakorte zinnen zonder werkwoord die onder elkaar staan, willekeurige hoofdletters om er een symbolisch gewicht aan te hangen, herhalingen (“De Arts in de Ontwenningskliniek heeft al het een en ander verteld'; “Ik val weg. Ik val weg. Ik val weg'), en er is veel goedkoop sentiment (“Ik huil. Ik huil. Ik huil').

Zowel In duizend stukjes, door deze krant eerder getypeerd als “ironieloos', als de opvolger Mijn vriend Leonard, hebben dankzij de affaire echter een formidabele nieuwe dimensie gekregen. Wie beide boeken leest met de nieuwe kennis van het bedrog in gedachten, als een aangedikte, leugenachtige memoir, treft een gelaagde tragikomische geschiedenis over de opstanding en ondergang van een man die snakt naar (literaire) erkenning en de voordelen van het overdrijven ontdekt.

In In duizend stukjes beschrijft James bijvoorbeeld hoe hij bij aankomst in de kliniek een boek krijgt aangereikt met het Twaalf-Stapppenplan. Frey ziet ook televisieprogramma's over mensen die een haast religieuze “wederopstanding' beleven. Hij ontdekt dat er een succesverhaal van religieuze allure bestaat, dat van de verslaafde die genas. Ze hebben zich in de stuk in de kraag gezopen, zijn het twaalf-stappenplan “gaan dansen' en hebben een God gevonden. James bezoekt vervolgens een “Lezing' van een medeverslaafde. “Ik ken hem' schrijft hij, maar hij noemt geen naam. Hij ziet hoe de man een sterk staaltje drama neerzet. “Bij een verhaal over heroïne tikt hij met twee vingers tegen de binnenkant van zijn onderarm, bij een verhaal over coke snuift hij [...] Hij beweert dat hij op het toppunt van zijn verslaving voor vijfduizend dollar aan cocaïne en heroïne per dag naar binnen werkte met nog eens vier, vijf flessen sterke drank op een avond'.

Frey mag de man niet. “Ermee spotten, erover opscheppen of zwelgen in de valse pracht ervan heeft op geen enkel manier en in geen enkele vorm of gedaante iets met de werkelijkheid te maken, en alleen de werkelijkheid telt'.

Met kennis van het bedrog lijkt het er ineens op dat James een gesprek met zichzelf voert en zichzelf streng toespreekt - een literair dubbelgangersmotief. “Was ik in mijn normale doen geweest, dan was ik opgestaan en had hem voor leugenaar uitgemaakt en had ik Bedrog geschreeuwd en die Idiote Hufter van het Podium gejaagd om hem een pak op zijn flikker te geven.' Hoe meer lezingen hij bezoekt, hoe meer hij inziet dat van originaliteit geen sprake is. “De verhalen zijn allemaal hetzelfde. Ze hadden alles, verknalden de boel, zijn alles kwijt. Proberen erboven op te komen. Het Grote Amerikaanse Huilverhaal'.

Frey geeft drie keer in het boek zijn levensloop weer. Dat hoort bij het afkickprogramma, dat je eerlijk vertelt hoe het allemaal begon, wat je gebruikte, hoeveel en wanneer. En ineens, als hij voor de tweede keer begint te vertellen, staat daar een vreemd zinnetje tussen: “Ik heb de kracht van woorden leren kennen en ben ze gaan gebruiken.' Frey vertelt dat hij ging liegen om te overleven. De vele “gebruikersdromen' uit het boek komen prompt in een ander licht te staan. Gebruikersdromen zijn dromen van ex-verslaafden waarin ze drugs gebruiken. Frey beschrijft hoe hij enorme lading flessen wijn en sterke drank achter over slaag, een enorme zak gele crack oprookt, een berg witte coke snuift, gevolgd door tubes lijm en een open blik benzine. Overdreven? Ja zeker. Maar overdrijven geeft een goed gevoel. Je krijgt applaus en een schare aanhangers om je heen. Dat is verslavend, als was het een harddrug.

Het vervolg op In Duizend stukjes, Mijn vriend Leonard, is in het licht van het bedrog zowel pijnlijk tragisch als hilarisch. We lezen in dit boek over de wanhopige pogingen van de auteur om scripts en boeken aan Hollywood te slijten. Voortdurend zit hij met zijn neus in de literaire boeken (Don Quichot, Oorlog en vrede, Ten oosten van Eden) en zijn talent voor literaire overdrijving ontwikkelt zich gestaag gedurende het boek. “Het regent 63 dagen achtereen', schrijft hij ineens ergens.

Frey ontdekt dat de neiging om met woorden te overdrijven een hulpmiddel kan zijn op weg naar het Hollywoodsterrendom. Het blijkt moeilijk om aan de bak te komen als schrijver. Hij beschrijft hoe hij kijkt naar acteurs die schilderijen naspelen, waaronder Leonardo Da Vinci's Het Laatste Avondmaal. Leonard (!), de man die wordt opgevoerd als steun en toeverlaat en die als personage steeds onwaarachtiger wordt, gaat dood aan het eind van het boek. Het slot heet filmisch “The End', en de auteur huilt weer een paar dikke tranen. Hij is niet genezen van zijn neiging tot overdrijving, en dat maakt hij kenbaar met het motto: “Mijn beker vloeit over' (Psalm 23:5).

Nadat vorige maand bekend werd dat Frey zijn fantasie “te veel' de vrije loop had gelaten, heeft zich in Amerika een drama van Clintoniaanse proporties ontsponnen, inclusief schuldvragen, boetedoening en excuses. Waar komt die grote morele verontwaardiging vandaan? Binnen de letteren maakt men een onderscheid tussen “fictie' (verzonnen) en “non-fictie' (echt gebeurd). De grens daartussen komt steeds meer onder vuur te liggen. Te denken valt aan de bloeiende opmars van de “literaire non-fictie', waarbij journalisten en wetenschappers literaire middelen inzetten om feiten op een verhalende manier over te brengen (zie Boeken 20.01.06). Hoe meer er gemanipuleerd wordt, hoe harder de roep om “transparantie'. Toen bleek dat Norma Khouri Albqaeen, de auteur van de nonfictie-bestseller Verboden Liefde, haar ogenschijnlijk waargebeurde boek over een vriendin die het slechtoffer werd van eerwraak in Jordanië, verzonnen had, werd het boek onmiddellijk uit de handel genomen.

Autobiografieën, “autobiografische romans' en bekentenisliteratuur vormen een aparte categorie binnen de non-fictie. De waarheid is in deze boeken per definitie immers subjectief van aard. De gemoederen spelen in dit genre hoog op als het gaat om het zich valselijk toe-eigenen van de identiteit van een geslachtofferde groep (joden, Indianen, moslima's, Maori's, Aboriginals), het verzinnen of bekennen van ziektes of ernstige misdrijven, of het aantijgen en portretteren van derden onder de schijnbaar veilige vlag van “fictie'. Het probleem betreft in eerste instantie meestal niet de waarheid binnen het boek, maar het feit dat een auteur zich buiten de wereld van het boek een bepaalde identiteit aanmeet. Ook Frey speelde zijn rol als voormalige bad boy met verve, al verbaasden enkele journalisten zich over zijn gave gezicht , terwijl deze geschreven had over zijn gebroken neus en talloze hechtingen.

In tweede instantie komt ook de eerdere leeservaring van het boek, of er nu “roman' of “memoir' op de kaft staat, in een ander licht te staan, dat aan kracht verliest wanneer men weet dat de auteur niet zijn eigen levenservaring, maar vooral zijn verbeeldingskracht. In dit opzicht verschilt de kwestie Frey van de meeste andere valse-identiteit-affaires. Zijn boeken winnen juist aan kracht.

Bij herlezing lijkt het er namelijk enerzijds duimendik bovenop te liggen, maar tegelijkertijd ontvouwt zich een “waarachtig' tragisch verhaal over het verlangen naar erkenning en roem. In zijn nieuwe “author's note' bevestigt Frey dat hij gedreven werd door een literair verlangen: hij schreef filmscenario's, maar wilde eigenlijk schrijver worden. Toen hij ging schrijven, wist hij naar eigen zeggen tijdens het schrijven zelf niet eens meer of hij met “fictie' of met “memoires' bezig was.

Frey is zowel manipulator als slachtoffer van de zuigende kracht van de Amerikaanse Droom. Het had namelijk allemaal niet gehoeven: het bedrog had gebracht kunnen worden als een vermakelijke grap, waarbij Frey de pijnpunten van de Amerikaanse uitgeverscultuur blootlegt; de honger van Oprah, Hollywoodiaanse messias van de letteren, die als het haar uitkomt eerst kiest voor “emotionele waarheid', maar daarna de “feiten' propageert; de honger van het publiek naar “redemption stories', wederopstandingsverhalen, de morele lezerswoede als blijkt dat het verhaal dat ze zo graag wilden geloven niet het echte verhaal was. Wat mensen mede zo boos maakt is het manipuleren van de mythe van de Amerikaanse droom en het blootleggen van de clichématige schema's die eraan ten grondslag liggen. Je bent er als lezer ingetrapt, in Freys droom van de wederopstanding. “The comeback kid is one of our most deeply held myths', merkte de therapeut en schrijver Michael Vincent Miller op naar aanleiding van de affaire in The Boston Globe. Het had een geslaagde “hoax' kunnen zijn, maar dan was Frey wel een echte leugenaar geweest. Frey heeft nu vooral zichzelf voor de gek gehouden en juist dat maakt hem, paradoxaal genoeg, weer menselijk. Onder de leugen gaat een pijnlijke waarheid schuil.

In duizend stukjes heeft daarmee ook, ironisch genoeg, een complexe en gelaagde dimensie gekregen die het eerder niet had. Neem deze passage, waarin James zit te lezen in de kliniek en citeert uit een van zijn favoriete boeken, de Tao. “Wie volledig wil zijn, moet eerst onvolledig zijn. Wie recht wil zijn, moet eerst krom zijn. Wie vol wil zijn, moet eerst leeg zijn. Wie herboren wil worden, moet eerst sterven'. Het is in het licht van het bedrog een wanhopige en pijnlijke, maar ook een grappige passage. Maar Oprah Winfrey glimlacht niet. Met haar en met de (emotionele) werkelijkheid valt niet te spotten, en dat zullen we weten. Haar volgende keuze voor de boekenclub is gevallen op Night, de holocaust-memoires van Eli Wiesel.

James Frey: In duizend stukjes. Uit het Engels vertaald door Sjaak de Jong. Bert Bakker, 384 blz. euro 25,-

James Frey: Mijn vriend Leonard. Uit het Engels vertaald door Sjaak de Jong, Prometheus, 336 blz. 21,95

De “author's note' die Frey aan de nieuwe editie van “A Million Little Pieces' toevoegde, is te lezen op www.randomhouse.com