Herr Issyvoo was hier

Volgende week gaat een nieuwe Nederlandse versie van de musical “Cabaret' in première. Theater Carré is hiertoe omgebouwd tot een Berlijnse nachtclub uit de jaren twintig: de Kit Kat Klub. Henk van Gelder ging naar Berlijn om te zien of het, net als Sally Bowles, ook echt heeft bestaan.

Nollendorfstrasse 17 is er nog. Vijf verdiepingen hoog staat het huis in een stemmig straatje uit de negentiende eeuw, waarin hier en daar met plompverloren nieuwbouw - grijs en gevoelloos - een blijkbaar door de oorlog geslagen gat is gevuld. Een gedenkplaat aan de geelgesausde gevel meldt dat de Britse schrijver Christopher Isherwood op dit adres tussen 1929 en 1932 de roman schreef waarop de musical Cabaret is gebaseerd. Hier keek hij dus uit het raam naar beneden en vergeleek zichzelf met een camera, die met open lens alles registreert wat er te zien is.

Maar als het zo eenvoudig is dit uitzicht terug te vinden in een stad waar verder zo veel is veranderd, waar was dan de Kit Kat Klub waar Sally Bowles elke avond stond te zingen?

Het huis en de club zijn de twee locaties waar Cabaret zich afspeelt. Het huis is een pension met een schilderachtige groep bewoners, onder wie de ietwat afstandelijke schrijver en het naar rijkdom en succes snakkende zangeresje uit de Kit Kat Klub. In die club regeert de derde hoofdpersoon: de ceremoniemeester die zijn publiek binnenlokt en meesleept in een decadente wereld die - door de aanstormende nazi's - gedoemd is ten onder te gaan. Zelden was een musical zo sarcastisch en sinister: terwijl alles naar de verdommenis gaat, bezingt Sally Bowles - in de verfilming onvergetelijk belichaamd door Liza Minnelli - de waanzin van het leven als een feestelijke vertoning. Life is a cabaret, luidt haar motto, en dat klinkt heel wat cynischer dan Shakespeares All the world's a stage of Vondels De wereld is een schouwtoneel. Shakespeare en Vondel hadden nog wel aardigheid in het menselijk schouwspel, maar Sally Bowles danst op een vulkaan.

Isherwood ontmoette haar bij een wederzijdse vriend, schreef hij in zijn evocatieve roman Goodbye to Berlin (1939). Ze was, net als hij, uit Engeland naar Berlijn gekomen. Haar droom was een carrière bij de UFA; de drukke Duitse filmindustrie leek een beginnend actrice als zij veel meer emplooi te kunnen bieden dan het veel minder productieve filmbedrijf in haar eigen land. In het verhaal dat Isherwood aan haar wijdde, komt ze echter nooit verder dan een sjofel bestaan als zangeres en als minnares van heren in goeden doen in ruil voor eten, geld en kleren. Wat hij vooral in haar bewonderde, zo lijkt het, was haar praktische opportunisme en haar volstrekte gebrek aan scrupules. Zo realiseert Sally zich tijdens een van hun gesprekken opeens dat ze al een uur geleden in het fameuze Adlon-hotel had moeten zijn voor een afspraak met een nieuwe man. “Het zal dat zwijn goed doen om te wachten“, zegt ze dan. “Hij wil dat ik zijn minnares word, maar ik heb gezegd dat ik dat verdom tot hij al mijn schulden heeft betaald. Waarom zijn mannen altijd zulke beesten?“

Puppenjungen

Zelf werd Isherwood eind jaren twintig tot Berlijn aangetrokken, omdat het daar voor een homoseksueel als hij veel vrijer toeven was dan in het preutse Kensington waar hij vandaan kwam. “To Christopher, Berlin meant Boys“, schreef hij over zichzelf in de derde persoon. Er waren vrienden en desgewenst waren er ook Puppenjungen, die een man tegen betaling konden gerieven. Overig vertier kon hij altijd vinden in de nichten- en travestietenclubs, waarvan er vele tientallen vermeld stonden in gidsjes als Was nicht im Baedeker steht en Führer durch das “lasterhafte' Berlin. Een Kit Kat Klub is daarin echter niet te vinden.

Isherwood had verschillende adressen, tot hij in 1930 (een jaar later dan op de plaquette staat) onderdak vond in de Nollendorfstrasse. Zijn hospita, die hem aansprak als Herr Issyvoo, heette in werkelijkheid Meta Thurau, maar staat in de roman vermeld als Fräulein Schroeder en is in de musical Fräulein Schneider geworden.

Tegenwoordig is het eertijdse pension op nummer 17 onderverdeeld in acht appartementen. Op tweehoog links, waar Isherwood woonde, is nu de theaterregisseur Thomas Münstermann met vrouw en kind gevestigd. “Een historisch adres“, beaamt hij, “dat veel voor me betekent. Ik heb zelf dertien jaar geleden Cabaret geregisseerd in Bern, zonder toen te beseffen dat ik ooit zo dicht op de geschiedenis van die musical zou komen te zitten. Het kwam door een collega uit het theatervak die hier woonde. Hij wilde verhuizen en vroeg mij of ik ervoor voelde in het huis van Isherwood te gaan wonen. De plaquette hing hier toen al.“

Aan de structuur van de woning is niets veranderd, vertelt hij trots: “Alles is er nog - het stucwerk, de raamkozijnen, de deuren en zelfs de parketvloer is origineel. Het grootste verschil is dat het schilderwerk in de jaren twintig donker was, daar hebben de vorige bewoners korte metten mee gemaakt.“

Münstermann is artistiek directeur van het Friedrichstadtpalast, het glazen amusementspaleis aan de Friedrichstrasse, waar over tien dagen een optreden van Liza Minnelli plaatsvindt. “En ik hoop van harte dat ik haar dan kan overhalen om bij ons in de Nollendorfstrasse te komen kijken“, zegt hij. “Dat zou prachtig zijn: als ik de vrouw die Sally Bowles onsterfelijk heeft gemaakt, mag ontvangen in de woning waar het hele verhaal van Cabaret is begonnen.“

Wie de echte Sally Bowles was, heeft Isherwood pas vele jaren later, na haar dood, onthuld. Ze heette Jean Ross, was een beginnend actrice en zong met het lage gevoileerde geluid dat destijds in Duitsland voor het toppunt van verleidelijkheid doorging en waar Marlene Dietrich wereldberoemd mee zou worden. Maar wáár ze zong, is niet meer te achterhalen. “Niemand schijnt te weten in welke clubs Ross werkte“, constateert Peter Parker in zijn baksteendikke biografie Isherwood (2004).

Het werkterrein van Sally Bowles bevond zich volgens Goodbye to Berlin in Lady Windermere's Fan, “die nu, zo hoor ik, niet meer bestaat“. Isherwood beschreef het etablissement als “een kunstzinnig bedoelde, informele bar, vlakbij de Tauentzienstrasse, waar de eigenaar zo te zien duidelijk zijn best had gedaan om het er zo veel mogelijk te laten lijken op Montparnasse.“ De muren hingen vol schetsen op menukaarten, karikaturen en gesigneerde theaterfoto's, aldus Isherwood, en de in de naam van de club vereeuwigde waaier van Lady Windermere hing “vier keer levensgroot“ boven de bar. Op een verhoging in het midden stond een piano. Dat lijkt allemaal geenszins op de Kit Kat Klub.

Hetzelfde geldt voor de Troika, die elders in Goodbye Berlin wordt genoemd: een grote ruimte waar een paar mannen de hele avond op één glas bier zaten en de drie animeermeiden aan de bar zodoende weinig te doen hadden. Wel speelde er een lusteloos orkestje, waarvan de saxofonist tevens fungeerde als quasi-guitig refreinzanger: “Sie werden lachen/ ich lieb'/ meine eigene Frau ...“

Volgens haar kinderen heeft Jean Ross altijd gevonden dat Isherwood haar enigszins tekort had gedaan. Ze herkende genoeg in Sally Bowles om te weten dat zij model had gestaan, maar wenste zich niet te vereenzelvigen met het beeld dat van haar werd opgeroepen: de naar geld en geluk zoekende Sally in haar halfversleten bontjas en de dagelijks dikker wordende laag make-up op haar gezicht. Enig recht van spreken had Jean Ross wel: in werkelijkheid slaagde ze er wel degelijk in een baantje bij de UFA te bemachtigen - al was het als vertaalster - en na haar terugkeer naar Engeland heeft ze ook daar nog jarenlang in de filmindustrie gewerkt. Maar ons is de dappere Sally, die na elke tegenslag toch weer overeind komt, veel liever. Als de schrijver een beter gelijkend portret van Jean Ross had geleverd, waren we haar nu allang vergeten.

Isherwood schrijft wel naar waarheid dat Sally Bowles - net als hij - in de loop van 1933 uit Berlijn vertrok, toen de eerste anti-joodse maatregelen al waren uitgevaardigd en de straatterreur werd gesanctioneerd. Pas in de musical Cabaret, die in 1966 op Broadway in première ging, heeft het verhaal een dramatischer slot gekregen: de schrijver gaat terug naar huis, terwijl Sally Bowles achterblijft in de Weimardämmerung. Zij doet alsof er niets aan de hand is, maar wij weten wat Berlijn te wachten stond .

De belangrijkste ingreep van de musicalmakers is de hoofdrol die de Kit Kat Klub daarin heeft gekregen. De club weerspiegelt wat er buiten gebeurt, de shownummers leveren steeds grimmiger commentaar, de schone schijn wordt steeds smoezeliger, de totale instorting is nog maar een kwestie van tijd. De ceremoniemeester (Wilkommen, bienvenue, welcome ...) wordt een rattenvanger die ten slotte ook zelf als een rat in de val belandt.

Vette, valse wimpers

Maar waar kwam die Kit Kat Klub opeens vandaan? Het antwoord op die vraag blijkt te staan in Contradictions, notes on twenty-six years in the theatre, de memoires van Harold Prince, producer en regisseur van de oerversie van Cabaret. In 1951 was Prince als Amerikaans soldaat gelegerd in Stuttgart, waar hij vaak te vinden was in de nachtclub Maxim's, gevestigd in de kelder van een kapotgeschoten kerk. Daar trad, schreef hij, een dwergachtige ceremoniemeester op, met een precies in het midden gescheiden brillantine-kapsel, een roodgestifte mond en vette valse wimpers. De man, die niet alleen de oorlog, maar ook zijn zelfrespect had verloren, moest model staan voor de verteller. En het is, aldus Keith Garebian in het boekje The making of Cabaret, geen toeval dat deze club de initialen KKK kreeg: toen er aan de musical werd gewerkt, ging Amerika gebukt onder rassenrellen, waarin het optreden van de Ku Klux Klan herinneringen opriep aan de straatvechters uit de nazi-tijd. De Kit Kat Klub was geen getrouwe kopie van een club die in Berlijn werkelijk heeft bestaan, concludeert Garebian, maar een metafoor voor een samenleving in verval.

Zo kan deze zoektocht echter niet eindigen. Er moeten meer sporen te vinden zijn.

De permanente expositie van het Schwulenmuseum in de wijk Kreuzberg roept een schilderachtig beeld op van de losbandige stad die Berlijn in de jaren twintig was. Eén club wordt met name genoemd: het Eldorado, op de hoek van de Motzstrasse en de Kalckreuthstrasse. Daar liepen heren rond in avondjurken en dames in smoking. Het was er volgens een gidsje uit die tijd “ietwat schril, ietwat clandestien, zeer homoseksueel'. Tot de vaste bezoekers behoorde Marlene Dietrich, die zich voor haar erotische uitdossing in Der blaue Engel (1930) zelfs liet adviseren door haar vrienden en vriendinnen in het Eldorado. Zoals zij de verblinde professor Rath het hoofd op hol bracht, zo moeten ook de zang- en dansmeiden van het Eldorado zich hebben vertoond: in een corseletje met jarretels en kousen die het bovenste deel van de dijen bloot lieten. Zo is ook Sally Bowles in Cabaret uitgedost. De hoge hoed van Lola Lola is veranderd in een bolhoed, maar verder is er nauwelijks verschil.

Als er in de echte geschiedenis van Berlijn een soort Kit Kat Klub bestond, moet dat het Eldorado zijn geweest.

De Nollendorfstrasse laat zich in een paar minuten doorlopen. Schuin tegenover het pand waar Isherwood woonde, is nu, blijkens een opschrift op het raam, een gay internetcafé gevestigd. Aan het eind van de straat even naar rechts en daarna meteen weer naar links. Daar is de Motzstrasse, en daar is de hoek met de Kalckreuthstrasse. Aan de ene kant staat een betonnen blok waarin nog door bouwvakkers wordt gewerkt. De overkant oogt nog negentiende-eeuws, maar daar is nu alleen een capricieus bistrootje te vinden. Waar het Eldorado destijds was, is niet meer vast te stellen. Maar alles bij elkaar heeft de wandeling uit de Nollendorfstrasse slechts zeven minuten geduurd.

Isherwood is hier geweest, dat kan niet anders. En Sally Bowles ook.

Cabaret gaat op 14/2 in première in theater Carré in Amsterdam. Aldaar t/m 4/5. Inl. 0900-3005000, www.musicals.nl