Europees rekenen

Snoeihard, zo kan het gisteren gepubliceerde rapport van de Algemene Rekenkamer over het financiële management van de Europese Unie gerust worden genoemd. Het is de vierde maal dat de Rekenkamer dit zogenoemde EU-trendrapport publiceert en de inhoud stemt niet vrolijk. Eerst wat we wél weten: de EU ontving in 2004, het jaar waarover het rapport gaat, 95 miljard euro van de lidstaten. Nederland droeg 5,2 miljard af, en ontving 2 miljard. Daarvan kwam 1,3 miljard uit landbouwsubsidies, 355 miljoen uit de structuurfondsen en 337 uit overige middelen.

Daarna wordt het al snel vaag. Van de 5 miljard die naar Brussel ging, is volgens de Rekenkamer niet zeker in hoeverre dit juist is besteed, omdat de Europese Commissie en de Europese Rekenkamer dit inzicht niet bieden. Ook is, in de woorden van de Rekenkamer, weinig bekend over de juiste besteding en de effectiviteit van de Europese subsidies die Nederland zelf heeft ontvangen. In simpel Nederlands: we weten niet wat er met het geld gebeurt dat naar Brussel gaat, en hebben ook niet echt een idee of het geld dat terugkomt zinvol wordt besteed. Het euvel is al langer bekend. De Europese Rekenkamer zelf doet al langer jaarlijks verslag over de Europese geldstromen. In november vorig jaar bleek, bij het jongste rapport, dat het instituut van slechts een derde van de jaarlijkse EU-begroting kan zeggen dat het geld goed terechtgekomen is. Reden om, voor de elfde achtereenvolgende maal, een goedkeurende verklaring over de EU-begroting te weigeren.

Nu zijn Rekenkamers, terecht, ingesteld om op alle slakken zout te leggen. Het Nederlandse lid van de Europese Rekenkamer, Maarten Engwirda, wees er vorig jaar op dat ook de Rekenkamer in de Verenigde Staten al tien jaar lang haar goedkeuring onthoudt aan de begroting aldaar. Maar de Europese situatie blijft niettemin zorgwekkend. Het kabinet wil nu voor de zomer een studie afronden naar de haalbaarheid van een zogenoemde betrouwbaarheidsverklaring. Hierin neemt de minister van Financiën verantwoordelijkheid over de besteding van EU-gelden. Dat maakt een beter nationaal toezicht tot een politiek belang, en kan de ontwikkeling van een beter toezichtsapparaat bespoedigen. Ten koste van meer bureaucratie en rompslomp, overigens. De Europese Commissie is een fervent voorstander van zo'n betrouwbaarheidsverklaring, maar de meeste lidstaten moeten er vooralsnog weinig van hebben.

Nationale betrouwbaarheidsverklaringen kunnen inderdaad een bijdrage leveren aan een betere verantwoording van de Europese uitgaven. Dat laat onverlet dat veel Europese subsidies neerkomen op het zinloos rondpompen en herverdelen van geld via Brussel. Het is een utopie te verwachten dat op afzienbare termijn een beter systeem van herverdeling zal ontstaan binnen de EU, bijvoorbeeld zoals in de Verenigde Staten waar een automatisch en dynamisch verdelingssysteem tussen de deelstaten bestaat, dat via de inkomstenbelasting loopt. Subsidiestromen, of dat nu landbouw, structuurfondsen of het Europees Sociaal Fonds betreft, zullen in de EU nog lang de herverdeling van middelen bepalen. Beter toezicht is onontbeerlijk. Maar het kan geen kwaad ook de zin, en de omvang, van de jaarlijkse Europese financiële golfstroom eens goed tegen het licht te houden.