'Dunne messen glijden beter'

De scheikundige Marnix ten Kortenaar (35) is vooral buiten de baan succesvol. De schaatsveteraan stond aan de wieg van de strips en heeft nu het effect van dunnere ijzers bewezen.

Marnix ten Kortenaar, bijgenaamd de schaatsprofessor, is teleurgesteld dat alleen Jan Bos, Erben Wennemars en Stefan Groothuis tijdens de Winterspelen op zijn dunne ijzers schaatsen. En hij begrijpt niet waarom sportkoepel NOC*NSF het geheim van de smid gisteren in Turijn bekendmaakte. 'Nu geven ze de Amerikanen de gelegenheid hetzelfde te doen. Die jongens zijn van nature al net iets sneller, dus kan het er om gaan wie goud wint.'

Ten Kortenaar was zijn eigen proefkonijn, toen hij vorig seizoen voor het eerst ging schaatsen met ijzers die dunner zijn dan 1,1 millimeter. Hij trainde voor de Europese kampioenschappen in Heerenveen op oud en nieuw materiaal. De rondetijden op de 500 meter gaven marges van 0,3 seconden aan. 'Dat is in Turijn het verschil tussen een eerste en een vijfde plaats', vertelde hij vanmorgen vanuit zijn woonplaats Wezep, waar de telefoon sinds gisteren roodgloeiend staat.

Ten Kortenaar, opgeleid door de Nederlandse schaatsbond (KNSB) maar al tien jaar rijdend voor Oostenrijk, heeft zich in zijn lange schaatsloopbaan voortdurend verwonderd waarom de dikte van de ijzers nooit is veranderd.

De onderzoeksvraag van de schaatsprofessor luidde: 'waarom zijn ijshockeyschaatsen dikker (en langzamer) dan Friese doorlopers en waarom zijn Friese doorlopers dikker (en langzamer) dan stalen Noren?'

'Ik ben gaan kijken op internet en zag tot mijn stomme verbazing dat er nog nooit onderzoek naar was gedaan', zegt de flying doctor in de scheikunde. 'De glijweerstand onder schaatscondities is sowieso een braakliggend terrein. We weten bijna alles van luchtweerstand, maar waarom we sinds mensenheugenis op ijzers van 1,1 millimeter rijden, kon niemand mij vertellen. Dat idee heeft mij niet meer losgelaten.'

De Willy Wortel van het Nederlandse schaatsen - hij stond in 1998 aan de wieg van de strips op de wedstrijdpakken - ging twee jaar geleden wederom op wetenschappelijk avontuur. Hij liet in een Overijssels koelhuis een houten bak met water vollopen in een vriescel (min twintig graden Celsius) en liet deze alternatieve glijbaan naar één kant hellen.

Hij leende een tijdwaarnemingsapparaat van zijn vriend, de schaatsbelg Bart Veldkamp, en kwam tot opzienbarende gegevens die later werden bevestigd door bewegingswetenschapper en ontwikkelaar van de klapschaats Jos de Koning aan de Vrije Universiteit van Amsterdam.

'Ik ben toen ettelijke malen in de lucht gesprongen van opwinding. Ik zag wat ik altijd al had gedacht: de dunne messen bleken veel beter te glijden dan de dikke messen. Ik heb meteen patent aangevraagd voor alle messen onder de 0,95 millimeter. Van fouten moet je leren en van die strips ben ik commercieel niets wijzer geworden. Vervolgens ben ik met Viking (schaatsfabrikant, red.) gaan praten en zijn ze daar dunne ijzers gaan maken. En afgelopen najaar heb ik bij NOC*NSF en de KNSB aangeklopt. Die hadden er wel oren naar.'

Ten Kortenaar vertelt met hoorbare trots over de snellere tijden van de sprinters Bos, Groothuis, Wennemars en Mark Tuitert sinds ze op dunne ijzers schaatsen. 'Ik kan niks bewijzen, maar het is geen toeval dat ze alledrie in korte tijd zo veel progressie hebben geboekt. Daarom is het zo jammer dat de rest niet overstag gaat. Maar begrijpen doe ik het wel. Jongens als Sven Kramer en Carl Verheijen (die morgen de vijf kilometer rijden, red.) en meiden als Ireen Wüst en Renate Groenewold rijden het hele seizoen al hard, dus waarom zouden ze overstappen op ander materiaal?'

Toch kan Ten Kortenaar zijn geluk niet op. Al is zijn werk nog niet af. 'Dit is pas het begin. We gaan nu nog voorzichtig te werk, maar ik sluit niet uit dat we in de toekomst met messen van 0,5 millimeter gaan experimenteren. En we kunnen ook nog de hoogte van de buizen aanpassen. Mijn werk zit er nog lang niet op.'