Doodsverachting in Sheffield

Een onbekend gitaarbandje, zonder reclamebudget en groot platenlabel achter zich, groeide in minder dan geen tijd uit tot de “stem van een generatie'. De Arctic Monkeys als chroniqueurs van de jongerencultuur.

Dat Britse jongeren zich graag aan drank en drugs te buiten gaan, is bekend. Een radicale variant woont in wat ze in Londen the North noemen: de Midlands en hoger. Daar, in de voormalige mijnbouw- en textielsteden, is “naar de klote gaan' een favoriet tijdverdrijf. Noorderlingen zijn trots op hun arbeidersimago, hebben de pest aan aan alles wat sjiek en/of Londens is en drinken met doodsverachting.

Ook de populairste Britse popmuzikanten staan bekend om hun inname-patroon. Sterren als Liam Gallagher (Oasis), Ian Brown (Stone Roses) en Shaun Ryder (Happy Mondays) hadden in hun hoogtijdagen een dagtaak aan het onderhouden van hun drank en drugsverslaving. Ook zij komen uit het noorden, uit Manchester.

De nieuwste aanwinst uit die regio is Arctic Monkeys, uit Sheffield, de hoofdstad van Yorkshire, vooral bekend door zijn staalfabrieken. Deze tieners (drie zijn er negentien, een is twintig jaar) hebben de afgelopen weken in eigen land een revolutie veroorzaakt met hun debuut Whatever People Say I Am, That's What I'm Not. Want wie had kunnen denken dat in 2006 een volslagen onbekend gitaarbandje, zonder reclamebudget en zonder steun van een grote platenmaatschappij, de bestverkochte debuut-cd ever zou maken? Vierhonderdduizend cd's zijn er inmiddels verkocht en de plaat krijgt juichende recensies in nationale media: een “10' in New Musical Express, en vijf sterren in de dagbladen.

Dat de leden van de Arctic Monkeys jong zijn, is aan hun liedjes te horen: ze zijn snel en ongeduldig. Dit is muziek die zegt “We willen lol en we willen het nu'. Dat leidt niet tot melodieën die je na een keer meefluit. Dat leidt tot stuiterliedjes die steeds een andere kant op schieten. Soms alleen maar hoekig en venijnig, soms met een virtuoze wendbaarheid die onverwacht toch een muzikaal verhaaltje omspant.

Voorman Alex Turner (19) heeft zoveel te vertellen dat de zinnen nauwelijks in de maat-regels passen: de woorden schuimen zijn mond uit als een overlopende milkshake. De liedjes hebben dan ook titels als “I Bet You Look Good On The Dancefloor' en “You Probably Couldn't See For The Lights But You Were Staring Straight At Me'.

De Arctic Monkeys zijn echte noorderlingen. Zo jong als ze zijn staat hun leven - althans de artistieke uitbeelding ervan ervan - al in het teken van dóórdrinken. Neem het verhaal achter de zwart-wit hoesfoto, met daarop het bezwete gezicht van Monkeys-vriend Chris McClure die met toegeknepen ogen aan een sigaret trekt. Fotograaf Scott Jones vertelde in een interview dat Chris bij de eerste sessie “niet dronken genoeg“ was. “Hij keek nog te helder.“ Een week later lieten ze hem drinken tot hij ziek op de grond lag. Daarna kon de juiste foto worden gemaakt. Die verbeeldt, aldus de band, het leven van de hedendaagse jongere: een klotebaantje doordeweeks, laveloos in het weekend, en dat steeds opnieuw.

Die alledaagsheid heeft bij veel van hun leeftijdgenoten (en ouder) een snaar geraakt die Alex Kapranos (van Franz Ferdinand) of Ricky Wilson (Kaiser Chiefs) niet steeds wisten te vinden. Want noch Kapranos (te artistiek) noch Wilson (te lichtzinnig) hebben het ooit tot gebracht tot de “stem van een generatie'. Maar Alex Turner wordt nu algemeen zo genoemd. Ondanks zijn leeftijd en verlegen voorkomen werd hij direct herkend als one of us.

Kleinschaligheid

Dat Turner inmiddels is uitgegroeid tot een nationaal icoon is op het eerste gezicht verrassend. De voornaamste attractie leek in eerste instantie juist de kleinschaligheid; dit was een band voor ingewijden.

Die kleinschaligheid zit hem in de manier waarop haar faam zich verbreidde: via internet. Op sites als www.myspace.com konden geïnteresseerden al sinds een jaar de liedjes downloaden. Die digitale verspreiding maakte geen deel uit van een slim opgezette marketingcampagne. De bandleden deelden bij hun concerten demo's uit die door liefhebbers op sites werden gezet. Via via groeide de aanhang. Tot ze alsnog een platenlabel vonden: het relatief kleine Domino, dat ook Franz Ferdinand uitgeeft. Zo kon het gebeuren dat de groep vanuit het niets op nummer één van de Britse hitparade kwam met hun single “I Bet You Look Good On The Dancefloor'. En zo speelden ze in een met gemak uitverkocht Astoria, een zaal met 2.000 plaatsen in het centrum van Londen, nog vóór hun plaat was verschenen. Ook het eerste optreden in Nederland, afgelopen november in de bovenzaal van Paradiso, Amsterdam, was maanden tevoren uitverkocht. Het publiek, overwegend Brits, zong de teksten woord voor woord mee.

“Alleen voor ingewijden' is ook het kenmerk van Turners teksten. Want hij zingt in een voor buitenstaanders niet makkelijk verstaanbaar Midlands-dialect met eigen uitdrukkingen als mardy bum (zeiksnor), scummy man (smeerlap) en duff (opdoffer). In die taal bezingt Turner het leven zoals hij het van dichtbij kent. Hij zingt over hoeren op straat, die hij tegenkomt in de buurt (Neepsend) waar zijn oefenruimte is. Die wijk, vertelde de baas van de pub, ondergaat een gedaanteverwisseling when de sun goes down. Het werd de titel van het cynische liedje dat nu een hit is over grauwe meisjes die je aanspreken op straat.

“Who's that girl there?', zingt Turner.

“I wonder what went wrongSo that she had to roam the streetsShe don't do major credit cardsI doubt she does receiptsIt's all not quite legitimate.'

In zijn liedjes is Turner een gids. Voor een paar minuten trekt hij het luikje weg tussen ons en het leven van alledag. Hij leidt ons binnen in die wereld, vertelt er het belangrijkste over, en schuift, pats!, het luikje weer dicht. Zijn personages zijn ploeteraars: shit-faced (dronken) in het weekend, en ongelukkig door de week. De cd van de Arctic Monkeys vertelt in dertien liedjes over één dag in het leven van zo'n ploeteraar: het indrinken in de pub, het wachten in de rij voor de club, ruzie met de portiers, geflirt op de dansvloer, en uiteindelijk ruzie met de taxichauffeur omdat je met zijn zessen een taxi wil nemen.

In New Musical Express stond onlangs een top-100 van allerbeste Britse platen. Op nummer één staat het debuut van The Stone Roses uit 1989, en op vijf het debuut van de Arctic Monkeys. De helft van de cd's uit de top-10 pasten in de Britse traditie van “observerende tekstschrijvers': The Libertines (op nummer 10), Pulp (7), The Smiths (2), Blur (6) en de Arctic Monkeys. Je kunt ze allemaal beschouwen als chroniqueurs van de typisch Britse jongerencultuur van de afgelopen twintig jaar.

Het gaat bij deze chroniqueurs niet om politiek, zoals punk, of een groot sociaal verband. Hun blikveld is juist klein: de schermutseling in de pub, regen op de kermis, ruzie bij het ontbijt.

In de beschrijvingen gaat het niet om sfeer of beeldspraken, maar om nauwkeurige details, die de suggestie van “dichtbij' en “echt' versterken. Luister naar Jarvis Cockers “Mis-shapes' (1995):

“Mis-shapes, mistakes, misfitsRaised on a diet of broken biscuits, ohwe don't look the same as youwe don't do the things you dobut we live around here too, Oh really.'

- precies tot in het detail van die gebroken biskwietjes.

Morrissey (The Smiths) beschrijft soortgelijke scènes: “Drinking tea with the taste of the Thames/ sullenly on a chair on the pavement' (uit: “Come Back To Camden'). En Paul Weller (The Jam) vertelde over het leven van een doodgewone “Mr.Clean' (in 1978): “You catch your bus in the eight o'clock rush/ And catch your train in the morning rain.'

Alex Turner beschrijft zijn dronken buurtgenoot zo: “Can see it in his eyes/ he's got a drinking ban' (in “When The Sun Goes Down'). Hij heeft het over ruzie zoekende portiers bij de club: “He's got his hand in your chest/ He wants to give you a duff' (in “From Ritz To Rubble').

In “A Certain Romance' heeft hij het over de “sjonnies' die rondhangen bij McDonald's en sinds een jaar of vijf een eigen naam hebben: chavs. Hij vermeldt het merk van de sportschoenen die ze dragen (classic Reeboks of oude Converse) en de trainigsbroeken die in hun sokken gestopt zitten:

“Well oh they might wear classic Reeboks/

Or knackered Converse/

Or tracky bottoms tucked in socks/

But all of that's what the point is not/

The point's that there ain't no romance around there.'

Roast beef

Deze traditie gaat terug tot op Ray Davies van The Kinks, die in de jaren zestig zijn sociaalrealistische impressies schreef. Zoals in “Autumn Almanac' (1967):

“I like my football on a Saturday

Roast beef on Sundays, all right

I go to Blackpool for my holidays,

Sit in the open sunlight.'

Het voorbeeld in de jaren zestig was de angry young man-stijl van Alan Sillitoe. Zijn roman Saturday Night and Sunday Morning (1958) ging over de Nottinghamse fabrieksarbeider Arthur Seaton die rebelleert tegen de klassemaatschappij - door Sillitoe beschreven in de authentieke taal van de working-class. Niet toevallig kozen de Arctic Monkeys een zin uit Sillitoe's roman als naam van hun debuut. Alex Turner zag de verfilming (uit 1960) met Albert Finney als Seaton, en hoorde Finney zeggen: “Whatever people say I am, that's what I'm not. They don't know a bloody thing about me“, en dacht “Dat is m'n titel.“

Toch zijn de Arctic Monkeys niet nostalgisch en is Alex Turner een kind van zijn tijd. Vergeleken bij de teksten van Davies en Morrissey zijn die van Turner minder netjes, minder afgepast en minder uitgewerkt. De grootse charme van zijn zang is juist de jambische verwarring, aangericht door Turners eindeloze woordvloeisels. Dat het hem zelden lukt om al die woorden in één regel te proppen, lijkt hem niet te deren. Hij stamelt nog wel even door.

Die zangstijl heeft niets te maken met de achtergrond van de meeste andere Britse gitaarbands. Turner is geen rocker van de gestampte pot, zijn favoriete muziekstijl is hiphop. Van Amerikaanse voorbeelden (Lyricist Lounge), en Engelse helden als The Streets, Roots Manuva en Dizzee Rascal leerde hij dat taal van elastiek kan zijn.

De plotselinge overstap van kleinschaligheid naar mega-status, zoals Arctic Monkeys nu meemaakt, doet ergens aan denken: de opkomst van Nirvana en Kurt Cobain, aan het begin van de jaren negentig. Ook toen werd iemand uitgeroepen tot “spreekbuis van een generatie' omdat veel mensen zich in zijn teksten herkenden. Maar Nirvana's liedjes gingen over wanhoop en woede, terwijl Alex Turner het leven neemt zoals het is. Gewoon klote.

Whatever People Say I Am, That's What I'm Not' is uitgebracht door Domino (WIGCD162). De Arctic Monkeys treden op 27 februari op in de Melkweg, Amsterdam. Het concert is uitverkocht.