De vooruitgang in het hoofd

Een geschiedenis schrijven van alles wat de mens heeft bedacht, zonder te vervallen in een droge opsomming, kan dat? Nou en of, het heeft zelfs een heerlijk boek opgeleverd, waar wel het nodige op valt af te dingen.

Wat we allemaal bij elkaar hebben bedacht sinds we de boom uit kwamen, kan op 855 pagina's. Dat blijkt wel uit het zes centimeter dikke boek Ideeën van Peter Watson, een Britse journalist die eerder een geschiedenis van de twintigste eeuw schreef en tegenwoordig in Cambridge archeologie doceert. Watson biedt ons een nagenoeg chronologisch, k unstig aaneengeschakeld verhaal dat loopt “van het vuur tot Freud'. Met aanzienlijke diepgang en zonder ook maar iets af te raffelen, verschaft hij inzicht in aard en ontstaan van de belangrijkste ideeën in kunsten en letteren, in natuurwetenschap en techniek, en in de menswetenschappen. Oost en West komen beide tot hun recht, ook ideeën uit China of India of de beschaving van de islam worden door Watson bekeken als bijdragen aan het geheel van wat de mensheid zich in zo'n 600 eeuwen aan vindingrijks heeft weten eigen te maken. Naast opgelegde klassiekers als rotsschilderingen, het monotheïsme, het buskruit of de vrije markt ontmoeten we ook allerlei verschijnselen waarvan je tevoren niet besefte dat er ooit een kersvers opgekomen idee aan ten grondslag moet hebben gelegen, het paradijs bijvoorbeeld, of het pianorecital. In een prettig jargonvrije stijl voert Watson ons over 36 aansprekende en geraffineerd opgebouwde hoofdstukken langs al die ideeën. Steeds plaatst hij die in de context van hun plaats en hun tijd - eigenlijk lopen we door zowat de hele wereldgeschiedenis heen. En wie de tocht niet, of niet meteen, mee wil maken en het boek liever als naslagwerk gebruikt, die verschaft zich vlot toegang via 11 bladzijden gedetailleerde inhoudsopgave, 80 bladzijden noten en verwijzingen, en 60 bladzijden register.

Ambitieuze ondernemingen zoals dit boek lijden vaak aan verbrokkeling - het ene weetje volgt op het andere, en aan het eind gekomen ben je wel knapper maar nauwelijks wijzer dan aan het begin. Of ze poneren een weliswaar aansprekende maar rijkelijk simplistische these waar de talloze aangehaalde feiten dan meer of minder virtuoos in worden geperst. Misschien het aantrekkelijkste van dit (bij alle mogelijke kritiek) heerlijke boek is dat Watson tussen beide klippen door heeft weten te laveren. Zichtbaar is het zijn hoofddoel de lezer mee te laten genieten van de mens op zijn of haar best; als schepper van nieuwe inzichten, nieuwe apparaten, nieuwe gewoonten, nieuwe stijlen. Niet dat die allemaal vallen toe te juichen - Watson heeft oog voor de tragiek in de geschiedenis, en voor de soms averechtse uitwerking van goed bedoelde ideeën. Maar de bewondering overheerst, in het besef dat we iets bijzonders hebben gepresteerd dat met recht “vooruitgang' heten mag: we begrijpen meer en kunnen meer dan “Lucy', onze in Afrika opgegraven, vroeg-tweebenige voorouder.

Het stipuleren van die vooruitgang belet Watson niet waakzaam te zijn. Hij beseft dat de uitkomst - onze moderne wereld - niet in het verloop van de geschiedenis voorbeschikt was. Er zijn tegenslagen geweest, achteraf onbruikbare zijpaden zijn ingeslagen, ideeën hebben soms een uitwerking gehad die ver af stond van wat de pionier zelf beoogde. De eersterangs-journalist Watson mag dit dan allemaal weten, het vooruitgangsperspectief zit toch zo sterk in zijn hoofd ingebakken dat hij onbewust nogal eens een idee vertekent, soms zelfs vérgaand verdraait, naar de uitwerking die het kreeg.

Dit geldt met name voor één van de drie overkoepelende stellingnamen waar dit boek op blijkt uit te lopen. Halverwege wijdt Watson een spilhoofdstuk aan wat hij “de grote omslag in de geschiedenis' noemt: datgene waardoor Europa zich beslissend van de andere beschavingen is gaan onderscheiden en wat uiteindelijk aan onze moderne wereld het aanzien heeft gegeven. Watson situeert die “Europese versnelling' in de elfde en twaalde eeuw. Net als elders in zijn boek laat hij zijn conclusie voortkomen uit een geduldig afwegende, redelijk faire behandeling van uiteenlopende geleerde visies. Niettemin kun je zien dat die conclusie uiteindelijk voortvloeit uit twee grote vooroordelen, die zijn hele boek kenmerken. Het ene is dat naar de uitkomst toe redeneren, dat ik al noemde. Het andere is de voor deze zeer Britse empirist vanzelfsprekende aanname dat al onze kennis, in het bijzonder de natuurwetenschappelijke, haar grondslag vindt in nauwkeurig waarnemen.

Beide vooroordelen komen samen in zijn behandeling van de twaalfde-eeuwse bisschop Robert Grosseteste, die in Watsons handen uitgroeit tot niet minder dan de uitvinder van de experimentele methode; een door geen enkel serieus wetenschapshistoricus meer aanvaardde interpretatie. De tweede hoofdthese van Watsons boek is dat een drietal ideeën in belangrijkheid boven alle andere uitsteekt: het idee van Europa, dat van het experiment, en dat van de ziel. Die ziel, breed opgevat als de mens bezien van binnenuit, heeft hij nodig om zijn twee bêtes noires, religie en psycho-analyse, met elkaar te verbinden. Watsons derde en laatste hoofdthese, waar hij vooral in het slotdeel van zijn boek naar toe werkt, betreft “de moderne onsamenhangendheid'. Daarmee bedoelt hij de tweedeling tussen het “wetenschappelijke' en het “poëtische' wereldbeeld: beide met een eigen geldigheid en creativiteit, maar het één nuchter objectiverend, het ander verbeeldingsrijk en subjectief, en daarom onderling onverenigbaar.

In hoeverre kun je nu bouwen op de feitelijke juistheid van Watsons uiteenzettingen? Wie zijn imposante veelzijdigheid mist - en dat doen we nagenoeg allemaal - kan niet anders dan een wat impressionistisch antwoord geven. Zo overtuigend als zijn betogen er in de regel uitzien op terreinen waar ik niet zelfstandig over kan oordelen, zo dubieus oogt het nogal eens waar ik wel in een onderwerp thuis ben. Het is mooi dat Watson als onmiskenbare alpha zoveel aandacht besteedt aan de geschiedenis van natuurwetenschap en techniek, die hij geheel terecht opvat als twee van de voornaamste drijfkrachten achter het ontstaan van onze moderne wereld. Maar wat slaat hij op dit gebied soms de plank mis! Hij denkt dat Newcomens vuurmachine werkte door samenpersing in plaats van condensatie van stoom. Hij kan geen kant op met de plaats van de wiskunde in de natuurwetenschap, en maakt dienovereenkomstig een potje van Newtons weg tot de wet van de zwaartekracht. Maar ook op niet-bètagebied doet Watson soms vreemde dingen; zo concentreert hij zijn betoog over Marx niet op het kernbegrip van Das Kapital, namelijk de meerwaarde (die hij één keer in het voorbijgaan noemt) maar op de “vervreemding' waar de jonge Marx graag over mocht Hegelen. En in de behandeling van Machiavelli ziet Watson kans diens hoofdwerk, de Discorsi, te negeren ten gunste van een weer erg naar de latere uitwerking toegeschreven samenvatting van Il Principe. Ook op detailniveau kom je allerlei rariteiten tegen, zoals Aristoteles als schrijver van de Timaeus van Plato, de Philosophical Transactions als dagboek in plaats van het eerste wetenschappelijke tijdschrift, Haydn optredend als voorganger van Handel, of Jesaja behandeld alsof theologen dit bijbelboek nog altijd als eenmanswerk beschouwen.

Volgt hier nu uit dat Watsons boek eigenlijk van geen kanten deugt? Nee, daarvoor ben ik veel te veel tegengekomen dat doodgewoon klopt of althans een consciëntieuze weergave biedt van geleerde controversen waar de lezer zelf een keuze uit kan maken. Het blijft, kortom, een heerlijk boek, alleen moet je er niet blind op willen varen. Zulke voorzichtigheid is trouwens ook geboden bij de diverse contradicties die het boek rijk is - de ontdekking van de bolvorm van de Aarde, bijvoorbeeld, schrijft Watson toe aan de Pythagoreeërs (5e eeuw voor Christus), aan Aryabhata in 499 voor Christus (die hij in het voetspoor van een chauvinistisch Indiaas historicus meteen maar de aswenteling en de draaiing om de Zon laat ontdekken), en aan Eratosthenes (derde eeuw voor Christus).

Maar ja, wie zoveel aandurft als Watson, die kan veel vergeven worden. Misschien geldt dat zelfs de afwezigheid van enkele ideeën die in een boek van deze formidabele en in grote lijnen waargemaakte ambitie eigenlijk niet hadden mogen ontbreken. Zo wordt het begrip “rede' geen afzonderlijke behandeling waardig gekeurd; het voor de geschiedenis van Europa zo beslissende idee van het “machtsevenwicht' schittert door afwezigheid.

De vertaling is vervaardigd door een zestal dat niet erg lijkt te hebben gestreefd naar eenheid van stijl of woordkeus (zo geeft het stuk over de vroege Barokmuziek blijk van beheersing van de muzikale basistermen, en dat over de Romantische muziek nauwelijks). Hoewel gesteld in goed lopend Nederlands blijft de tekst toch wat als vertaald Engels lezen, met af en toe uitglijders als “hoffelijkheid' waar iets als hoofse beschaving is bedoeld.

En toch: ondanks de schoonheidsfoutjes, de vertekeningen, de misslagen en zelfs de vreemde lacunes een van harte aanbevolen boek. Wie het wil lezen als het doorlopend betoog dat de schrijver eigenlijk beoogt, kan het misschien het best meenemen naar een vakantie-oord met regenbuien - voor ruggelings in het warme zand tot je nemen is dit boek van ruim 2 kilo letterlijk maar vooral ook figuurlijk te zwaar.

Peter Watson: Ideeën. De geschiedenis van het menselijk denken. Vertaald uit het Engels door Rob de Ridder e.a. Het Spectrum, 1021 blz. euro 59,95