De virtuositeit van de banketbakker

Ik had afgesproken met architect Carlos Lamela in de Financiële Club van Madrid. De vereniging bevindt op de hoogste etage van appartementengebouw Colon, een van die rechthoekige steenkolossen die ergens eind jaren zestig, begin zeventig gebouwd zijn. “Kijk“', zei de architect terwijl we door de lobby liepen. “Dit kan zo op de monumentenlijst.“

Het was inderdaad als een decor van een vroegere film van Pedro Almodóvar: barokke reliëfmuren van donker steen, grillige lampen en gelakt houtwerk in de portiersloge. “Daar is de afgelopen dertig, veertig jaar niets aan veranderd“, schatte Lamela.

Onbedoeld hadden we zo een typisch voorbeeld bij de hand van Spaanse interieurvormgeving. Een Zweedse vriend die Madrid goed kent is wild enthousiast over die stijl. Zelf kan het me niet zo bekoren, maar toegegeven: het is zeer herkenbaar uit een bepaalde periode. Net zoals behang met een oranje bolmotief of van die lampen van glasvezels met lichtpuntjes aan het einde.

Het zijn belangrijke dagen voor de Spaanse architectuur. Afgelopen weekeinde ging T4 officieel open, de nieuwe, enorme luchthaventerminal die de capaciteit van het Madrileense vliegveld Barajas aanzienlijk vergroot. De twee gebouwen, transparent-glazen hallen met door stalen pilaren gedragen golvende daken, zijn een ontwerp van Carlos Lamela en de Brit Richard Rogers. Het is een van de projecten in de tentoonstelling On-Site: New Architecture in Spain die het komend weekeinde wordt geopend in het MoMA in New York.

Spanje in de voorhoede van de Europese architectuur: wie had dat kunnen voorzien? De meeste Spaanse steden, Barcelona uitgezonderd, waren immers geen feest van planning en bouwkunst. Dat is niet uitsluitend mijn persoonlijke smaak, er zat wel degelijk systeem in de lelijkheid. De nationaal-katholieke dictatuur die het land bijna veertig jaar bestierde, had veel talent de grens over gejaagd. Franco liet in mijn woonstad Madrid overheidsgebouwen neerzetten waarvan de inspiratiebron gevormd werd door het Escorial, het rigide kloosterpaleis dat Filips II in de zestiende eeuw liet bouwen. En als er dan iets nonconventioneels werd neergezet dan kwam je al snel terecht bij gebouwen als de Torres Blancas in Madrid, van de architect Sáenz de Oíza.

Wie vanaf het vliegveld de kortste weg naar het centrum neemt kan ze niet missen: een hoog flatgebouw dat lijkt samengesteld uit een serie bijeengeharkte controletorens, opgevuld met ronde terassen. Die werden naar goed Madrileens gebruik onmiddellijk bij de woning getrokken en dichtgezet met een glazen pui. Een meesterwerk van Spanjes organische architectuur, zo heette het. En dat sloeg dan niet op de neonreclame van de firma Heineken die boven op de torens was gezet.

Als je de Italiaanse kunsthistoricus Mario Praz mag geloven ging het al vroeg mis met architectuur in Spanje. De renaissance bracht in Spanje geen architectuur, maar ornamentiek, zo meende hij. Een decoratieve smaak met “de virtuositeit van een luxueuze banketbakker“. Kerken als hindoetempels, dat soort werk. Het culmineerde in een architect als Gaudí, die met zijn Sagrada Familia een gothische kerk creëerde die niet minder willekeurig was dan een zandkasteel: je kan de verschillende elementen in het gebouw omdraaien, weglaten of verdubbelen zonder het eindresultaat in gevaar te brengen. Overdaad door herhaling, oneindigheid gesuggereerd door eentonigheid.

Als bewoner ga je je niettemin onwillekeurig hechten aan bepaalde lelijkheid. Neem de Gran Vía, de verkeersader die Madrid doorsnijdt. Voor het grootste deel gebouwd in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw, is het een ratjetoe van stijlen. Zelfs op een strakke wolkenkrabber als het Telefónica-gebouw, gebaseerd op de Amerikaanse staal-met-betonbouw, wist de architect nog wat neo-barokke decoratie in de façade aan te brengen. Maar wie houdt van het chaotische en anarchistische karakter van de stad, ziet er in de Gran Vía de architectonische weerslag van en stoort zich allerminst.

Dat Spanje is dus aan het veranderen. De toetreding tot de Europese Unie met zijn miljardensubsidies in 1986, gevolgd door de Olympische Spelen in Barcelona, in 1992, hebben het land in een explosieve bouwmanie gestort waarvan het einde nog steeds niet in zich is. Het zorgde voor een keur aan Spaanse architecten die internationale faam kregen: Bofill, Calatrava, Navarro Baldeweg en Moneo, winnaar van de internationale Pritzker-prijs.

Maar ook andersom heeft de enorme bouwactiviteit in Spanje ertoe geleid dat nog zeven andere, buitenlandse Pritzker-winnaars op dit moment actief zijn in Spanje: Koolhaas, Siza, Foster, Hadid, Herzog & De Meuron, Gehry en Mayne.

Alleen al in Madrid zijn de twee belangrijkste musea ingrijpend uitgebreid: het museum voor moderne kunst Reina Sofía kreeg een stevige zijvleugel van Jean Nouvel, terwijl Moneo de drastische vergroting van het Prado voor zijn rekening neemt. Verantwoorde architectuur, strak en licht, met nieuwe materialen en vormen. Het zal het aanzien van de Spaanse steden aanzienlijk veranderen en ontegenzeggelijk verbeteren. Geen virtuositeit van luxueuze banketbakkers meer. Al hoop ik uit nostalgische overwegingen en in het belang van het conserveren van het historisch erfgoed dat het lelijke Colon-gebouw met zijn lobby de status van beschermd stadsgezicht kan krijgen.