De generaal kan niet liegen

Frans Brüggen heeft spelen op originele instrumenten status gegeven. Nu begint een tournee Mozart-pianoconcerten. Maar zijn Orkest van de Achttiende Eeuw verkeert in zijn nadagen. Er is geen opvolger. “Met Frans verdwijnt het Orkest.“

Het was een oorlog die Frans Brüggen met zijn Orkest van de Achttiende Eeuw begon, vijfentwintig jaar geleden. Hij stond aan het hoofd van een door hemzelf in 1981 opgericht internationaal “legertje', zoals hij het noemde, de “geuzenbende' van de alternatieve muzikale wereldtop. Een paar keer per jaar kwamen de musici in Amsterdam bijeen om de grote symfonieorkesten en hun “verkeerde speelcultuur' op de korrel te nemen. Want bij die orkesten, gebaseerd op de muziekcultuur van de late negentiende en twintigste eeuw, was immers “elke noot van Mozart en Beethoven een leugen“.

Brüggen kwam in 1970 met die beschuldiging tijdens een discussie tussen de gevestigde muziekwereld en de rebellen van de Notenkrakers - een groep jonge componisten, onder wie Peter Schat, Louis Andriessen en Reinbert de Leeuw - in het Amsterdamse Krasnapolsky. “Toen ik opstond, zei Reinbert nog: “Frans, hou in godsnaam je mond'. Maar ik duwde hem weg en ik zei dat in het Concertgebouw èlke noot van Mozart en Beethoven van a tot z was gelogen. Het kwam uit de grond van mijn hart.“

Frans Brüggen (1934), destijds de beroemdste blokfluitist ter wereld, was een opmerkelijke actievoerder tussen de Notenkrakers, die meer aandacht eisten voor eigentijdse muziek. Brüggen pleitte juist voor de originele Mozart en Beethoven, voor teruggaan naar het ouderwetse musiceren van eeuwen geleden, naar authentieke orkestklank.

Eindelijk gaat Brüggen nu de originele Mozart in zijn pianoconcerten laten horen. Niet in het Concertgebouw, maar in het veel kleinere Muziekgebouw aan 't IJ. En niet op een perfectionistische Steinway, maar op primitievere pianofortes, zoals die rond 1800 werden gebruikt. En met een podiumopstelling die Mozart zelf organiseerde.

Brüggen verweet in 1970 de grote symfonieorkesten geen enkele moeite te doen om de muziek te spelen zoals de barokke en klassieke componisten zich dat zelf hadden voorgesteld. De bezettingen waren veel te groot en de musici speelden op moderne instrumenten met een totaal andere klank. Wat vroeger een bonkende koets was in een hobbelig karrespoor, was verworden tot een gladjes zoevende limousine op de snelweg. Bovendien wisten musici en dirigenten niets van de toonvorming van vroeger, de articulatie, de muzikale retoriek. “Iedereen liet zijn ego opbloeien over de rug van de geniale dode componist“, zegt hij achteraf.

Voor het Orkest van de Achttiende Eeuw haalde Brüggen vanaf 1981 de beste “authentieke' musici uit de hele wereld bij elkaar. Een paar keer per jaar wordt er in Amsterdam gerepeteerd, dan volgt een internationale tournee, die meestal begint en eindigt in Nederland met concerten en cd-opnamen. Het spaarzaam gesubsidieerde Orkest begon, zoals Brüggen zei, dankzij “een privé-donatie'. Die was van Brüggen zelf. De subsidies zijn nog steeds zeer bescheiden, het orkest met zo'n veertig musici werkt goeddeels commercieel.

Veldheer

Als een bijna onoverwinnelijke veldheer kijkt Brüggen na 76 tournees van zijn orkest met meer dan duizend concerten in de hele wereld terug op wat inmiddels is bereikt. Er is nog een lange weg te gaan, maar Brüggen telt zijn zegeningen. De authentieke beweging heeft op de concertpodia niet alleen een belangrijke eigen plaats veroverd, maar heeft ook invloed op de grote orkesten, die destijds zo hooghartig waren en onaantastbaar leken.

Brüggen: “Ze zijn min of meer wakker geworden. Nu begrijpen ze dat wat ze altijd hadden gedaan niet in de haak was. Die beschuldiging van “één grote leugen' was inderdaad wat overdreven. Maar het was nodig. En het heeft geholpen. Zo heeft het Concertgebouworkest Nikolaus Harnoncourt binnengehaald. Ze spelen nu de Bach-passies, met uitzondering van die ene keer met Chailly, altijd onder leiding van barokspecialisten.“

Frans Brüggen is ondertussen oud geworden. De enorme Hollandse stapelwolk van wit haar is grotendeels vervlogen. Voor een 71-jarige is Brüggen zelfs al vroeg oud. Hij is mager en fragiel, wat extra opvalt omdat hij zo lang is. Een kwart eeuw van zwaar en onregelmatig leven met roken, drinken en veel stress, met reizen in bussen en vliegtuigen tijdens moordende tournees met elke avond ergens anders een concert - het is zichtbaar niet aan hem voorbijgegaan. Stram en stijf was Brüggen al jaren, nu staat hij soms ook wat wankel op zijn voeten. Dirigeren doet hij tegenwoordig zittend.

“De eerste keer dat hij op een kruk dirigeerde was een moeilijk moment“, zegt Sieuwert Verster, al vijfentwintig jaar de energieke en inventieve directeur van het Orkest van de Achttiende Eeuw. Verster (50) is het alter ego van Brüggen en lijkt uiterlijk wel zijn jongere broer. De organisator ontfermt zich continu over welzijn en artistiek functioneren van orkest en dirigent. Deze zondagmorgen, in Brüggens huis, toont de vaak bedachtzame dirigent zich verrassend vief en alert. Het gaat hem fysiek beter dan vorig jaar, toen hij slecht zag en aan zijn hoornvliezen werd geopereerd.

Brüggen is uitgegroeid tot een wereldberoemd dirigent en net als Nikolaus Harnoncourt wegens zijn unieke kwaliteiten en inzichten opgenomen in de wereld van de grote symfonieorkesten. Zo stond hij voor het Concertgebouworkest, hij dirigeert al jaren bij het Muziekcentrum van de Omroep in Hilversum, waar ook niet op “authentieke' instrumenten wordt gespeeld. Hij was zelfs een tijdlang chef-dirigent van het Orchestre de Paris, een orkest met tal van problemen, op zoek naar een nieuwe artistieke richting.

Naast zijn werk bij het Orkest van de Achttiende Eeuw, dat uitsluitend op authentieke instrumenten speelt, opereert Brüggen op dat voormalige vijandelijke terrein van de “moderne' orkesten als een gedreven missionaris. Met inzet en vasthoudendheid verkondigt hij bij een deel van de top van het internationale muziekleven zijn geloof in een volkomen andere speelcultuur en wijdt hij zich aan het reconstrueren van “de muzikale waarheid van vroeger'.

Brüggen staat op het punt om voor twee weken naar de Münchener Philharmoniker te gaan. Daarna leidt hij het Chicago Symphony Orchestra. “Daar dirigeer ik mijn eigen spul, zoals Beethoven, Haydn, Rameau, Bach. De musici zijn daarvoor heel ontvankelijk. In de pauze van repetities komen er steeds een paar orkestleden naar me toe. Die zeggen dan “eindelijk kunnen we eens onszelf zijn'. Triest is dat.“

Brüggen concludeert dat die orkestleden de rest van het jaar dus moeten werken zoals ze eigenlijk zelf niet willen. “Een musicus voelt van nature of het klopt of niet wat hij doet. En de speelstijl van de negentiende-eeuwse hoogromantiek, met vibrato en zonder flexibiliteit in de toon, past nu eenmaal niet bij het classicistische repertoire van rond 1800. Ik moet bij die orkesten heel lang praten over dingen waaraan ik bij het Orkest van de Achttiende Eeuw geen woord meer hoef vuil te maken.

“Maar je komt een eind, als ze uiteindelijk doorhebben wat er fout is. Dat duurt meestal wel anderhalve repetitie. En als het dan niet is gelukt, lukt het ook helemaal niet. Het gebruik van historische instrumenten helpt wel. Maar het is niet de essentie, het gaat om de manier van spelen.“

De problemen van het compromisloze “authentieke' musiceren werden treffend geïllustreerd in de film Sforzato (“met kracht'), die Erik van Zuylen in 1984 maakte over het toen nog jonge Orkest van de Achttiende Eeuw. Violiste Alda Stuurop probeerde tijdens een tournee in een kleedkamer op haar kermende en krassende authentieke viool met darmsnaren te spelen. “Beethoven vraagt net iets meer dan ik kan op deze viool. Maar ik denk dat Beethoven extra mooi is, als het veel moeite kost. Die intensiteit hoor je, de spanning, die moeite.“

De pianist John Gibbons demonstreerde de problemen met een pianoforte, de voorloper van de moderne concertvleugel. Het mechanisme faalde telkens opnieuw, de noten klonken vaak verschillend en het instrument produceerde te weinig volume. “Je wilt meer kracht en je wint niet altijd. Mozart overschrijdt soms bewust de grenzen van wat het instrument kan, dat is de uitdaging. Maar op een Steinway, die alles kan, moet je je erg inhouden, dat was niet de bedoeling van Mozart.“

Dat was vroeger, de begintijd van de professionalisering van de authentieke muziek. Inmiddels zijn de darmsnaren sterk verbeterd en de pianofortes zijn bedrijfszekerder. Maar een fundamentalist is Brüggen niet. Hij is ook praktisch en ontdekte dat oude instrumenten niet altijd de juiste keus zijn.

De pianoforte van Gibbons was in het Concertgebouw immers niet te horen. Later dirigeerde hij daar een klavecimbelconcert van Bach dat door Pjotr Anderszewski werd gespeeld op een Steinway. Mag dat zomaar?

“Ja, dat mag. In de Grote Zaal moet je volume maken. Dus ik werk ook met allerlei pianisten die alleen op een Steinway spelen. Maar Anderszewski was stilistisch gezien niet goed. Paul Badura-Skoda is een slechte pianist, maar hij speelt wel in stijl. En Alfred Brendel gaat altijd gewoon zijn eigen gang. Zelfs op een Steinway kun je redelijk spelen. Maar op een Steinway een pianoforte imiteren, dat is ook niet de bedoeling. Sommige dirigenten zijn veel strenger in de leer en weigeren met een modern orkest te spelen. Dat vinden ze halfzacht, ze voelen zich dan kwakzalvers. Gustav Leonhardt, bijvoorbeeld, en Sigiswald Kuyken.“

Uitgeblokfluit

Met cellist Anner Bijlsma en klavecinist Gustav Leonhardt vormde blokfluitist Frans Brüggen jarenlang een wereldberoemd trio. Maar het solo- en trio-repertoire van hoog artistiek niveau was te beperkt, zowel het oude als het nieuwe, waaraan Luciano Berio in 1966 nog bijdroeg met Gesti. “Toen ik het Orkest van de Achttiende Eeuw oprichtte, was ik uitgeblokfluit.“

Al lijkt Brüggen soms opmerkelijk mild en liberaal, rekkelijk en ruimhartig, hij heeft nog steeds radicale opvattingen. Hij blijft met groot genoegen dwars de dingen bij hun naam noemen. Zo vindt Brüggen, die talloze manuscripten heeft bestudeerd, dat je vooral niet alle muziek letterlijk moet nemen en niet te veel moet priegelen.

“Vaak zijn er helemaal geen aanwijzingen hoe je de noten moet spelen. Het was vroeger eigentijdse muziek, musici kenden de stijl. Ik zag ooit Duke Ellington-muziek in een heel primitieve notatie. Die is geen afspiegeling van het uiteindelijke resultaat, omdat iedereen precies wist hoe het moest klinken. Van Stravinsky zegt iedereen altijd dat hij vond: “speel wat er staat'. Maar bij gepunteerde achtsten en zestienden zei hij op een repetitie: “Niet los, aan elkaar, rang!' Je moet zelf ook dat soort beslissingen durven te nemen.“

Brüggen erkent fouten te hebben gemaakt. Zoals Mozarts opera Idomeneo, waarmee hij in 1991 bij de Nederlandse Opera het Holland Festival opende. “Die voorstelling is hartstikke mislukt. Het Nederlands Kamerorkest was niet het beste orkest. Mijn fout was dat ik er te laat bij kwam, ik had concerten in Australië moeten afzeggen. En de regie van Peter Mussbach was afschuwelijk.“ Brüggen keek zelfs niet één keer naar het podium en de zangers.

Brüggen is nog steeds provocerend en weerbarstig. De film Sforzato registreerde de ernst van een nieuwe generatie musici in een tijd van democratisering. Ze vochten voor de goede zaak en voor hun eigen plezier. En ze verdienen nog steeds allemaal evenveel. Ook als Sir Simon Rattle dirigeerde, kreeg hij niet meer dan 300 euro per avond. Maar Brüggen heerste als een generaal over zijn leger. “Het Orkest van de Achttiende Eeuw speelt onder straffe leiding, en die straffe leiding ben ik“, zei hij met vilein plezier, haaks op de tijdgeest.

En zo is het nog steeds. “Het wordt onwerkbaar als iedereen zijn eigen meninkje heeft. Zoiets als: “maar ik voel dat niet zo'.“ Brüggen zegt het pruilend. “Dat is niks. Er moet één iemand zijn die de beslissingen neemt. In de pauze mag er wel eens iemand komen om te overleggen, maar repetities zijn geen groepsdiscussies.“ Brüggen geeft toe dat hij daarin niet verschilt van Mengelberg, een halve eeuw lang de autoritaire Concertgebouw-dirigent. “Zo is dat!“

Sieuwert Verster constateert dat het Orkest van de Achttiende Eeuw in zijn nadagen verkeert en dat Frans Brüggen niet geïnspireerd raakt door herhalingen. “Daarom doen we over een jaar een bijzonder project: eerst de Unvollendete van Schubert, dan Calmo van Berio door het Asko- en Schönberg Ensemble en dan met beide orkesten Rendering, Berio's voltooiing van Schuberts schetsen voor een Tiende symfonie. Zo'n intellectuele uitdaging houdt Frans bij de les.“

Zelfs Mozart vormt vanaf morgen een nieuwe uitdaging voor Brüggen. Tijdens vijf concerten in het nieuwe Muziekgebouw aan 't IJ in Amsterdam en tijdens een tournee worden tien pianoconcerten van Mozart gespeeld door vijf pianisten op drie verschillende pianofortes. Bruggen: “Eindelijk hebben we daar aan het IJ de enige goede Mozartzaal. In het Concertgebouw is de Kleine Zaal te klein en de Grote Zaal te groot. En ook Felix Meritis, toch uit Mozarts tijd, is te klein.“

Na een studie over Mozarts eigen concertpraktijk in Wenen gaat Brüggen de opstelling van orkest en pianoforte radicaal anders aanpakken. “Bij concerten in theaters zat het orkest in de bak en Mozart achter de pianoforte op het podium. Het was muziektheater met de solist in de hoofdrol. Ik wil nu de solisten hoog achter het orkest zetten. Ik ben benieuwd of het lukt met dat hoogteverschil een goede balans te bereiken.“

Beiden constateren met genoegen dat het Orkest van de Achttiende Eeuw nog steeds een missie heeft en geen vastgeroest instituut is. Verster: “Wij hebben meer verleden dan toekomst. Dit orkest is als een popgroep. Als John Lennon dood is, is herstel van The Beatles onmogelijk. Als Frans verdwijnt of ophoudt te dirigeren, is het Orkest van de Achttiende Eeuw voorgoed geschiedenis.“ Brüggen: “Het orkest is eindig. We doen het nog steeds met dezelfde musici, we verjongen ons niet. Als het niet meer lukt, dan sterven we af of uit. Ieder orkest zou ooit moeten afsterven.“

Orkest van de Achttiende Eeuw met Kristian Bezuidenhout, Ronald Brautigam, Richard Egarr, Stanley Hoogland en Paul Komen (fortepiano) met Mozart: 11, 12, 13, 15 en 16 febr. Muziekgebouw aan 't IJ Amsterdam, res. tel. (020) 7882000; 22, 23 febr. Stadsgehoorzaal Leiden res. tel. (071) 5131704; 24 febr. MC Vredenburg Utrecht res. tel. (030) 2314544.