Alles gebeurt achter mijn rug

Op een regenachtige dag in een kustplaats krijgt een tobberige beeldhouwer bezoek van een kennis die een paar duinen verderop woont. Deze bejaarde en blinde ex-jazzmuzikant Steken heeft goed nieuws: “Ja jongen, de oude Steek pulled some strings'. De beeldhouwer krijgt een tentoonstelling in het Museum of Modern Art. “Drie zalen op de begane grond. En niet van die lullige hokjes'. Aldus de oude musicus terwijl hij zich volgiet met de drank van de beeldhouwer.

Alles in het tweede verhaal van Pieter Boskma's bundel Westerlingen wijst erop dat die tentoonstelling te mooi is om waar te zijn: de wereld kent nu eenmaal winners en losers en deze beeldhouwer behoort overduidelijk tot de laatste categorie. Bij de muzikant ligt dat ingewikkelder: hij is het winnaarstype, maar te oud en zwak om nog veel te bereiken. Bovendien is er nog een vrouw in het spel, die hij vreest te verliezen. De manier waarop hij met zijn laatste krachten de beeldhouwer zit te zieken geeft hem van de weeromstuit iets tragisch.

Er komen veel vergelijkbare mannen in Westerlingen voor, kunstenaars van een zekere leeftijd die ontdekken dat ze meer verleden dan toekomst hebben. Zonder dat ze daar al aan gewend zijn. Zoals ze ook nog afgeleid raken door ieder slipje waarvan ze de randen door een vrouwenbroek zien schijnen - zonder dat zo'n vrouw nog enige belangstelling toont. Mannen die werktuiglijk naar hun kruis grijpen op het moment dat ze hun dromen voor wakende gedachten verwisselen. Of die oogcontact zoeken met de jonge opwindende filmster die in een jurkje op haar balkonnetje staat te bellen: “zij keek mij verbaasd en nieuwsgierig lachend aan, maar niet onwelwillend, o zeker niet onwelwillend'.

Mannen uit een tekening van Peter van Straaten. Al hebben ze daarvoor nog te veel ambities. Ze willen het tij nog keren. Dus verzinnen ze vreemde stunts, zoals de ontvoering van een van hun medekunstenaars door de Groep Onbekende Dichters, waarbij de gijzelaar nota bene de taak krijgt de eisen voor zijn eigen vrijlating te formuleren. De afkorting van de naam van deze zelfbenoemde creatieve terreurgroep is natuurlijk een beetje flauw, maar past in het thema van veel van Boskma's korte verhalen: de ellende die toeslaat wanneer de creativiteit dreigt op te drogen.

De verleiding is groot om in een moeite door een vergelijking te maken met de auteur zelf. Die wordt in mei alweer vijftig en kan zich allang niet meer op zijn jeugd voorstaan. Bovendien, waarom zou een algemeen gewaardeerd en veelvuldig bejubeld dichter zich plotseling aan proza wijden? Daar zal toch wel iets mis zijn?

Maar er is niets mis. Niet alleen omdat Boskma's poëzie soms de weidsheid van een roman heeft (zoals in het 250 pagina's dikke De aardse komedie), maar vooral omdat Westerlingen een uitstekende verhalenbundel is. Geen bundel om achter elkaar door te lezen, trouwens. De vaak korte verhalen, achttien op amper 130 bladzijden tekst, lenen zich beter voor herlezen dan voor doorstomen en misschien zelfs nog het beste voor hardop lezen. Boskma's dichterlijke vakmanschap verraadt zich door de natuurlijke cadans die zijn zinnen steeds weer blijken te hebben.

Neem een alinea als “Wanner wij ergens arriveerden bekroop ons de gedachte dat het reisdoel minder schitterde dan hij ons had voorgesteld. De bulderende zee bleek een mak lispelend plasje. De zilte zuidwester zo zuur als azijn. Kroegen die sloten wanneer onze dorst zich net begon te openbaren. En de laatste vrouwen, die uit de haven kwamen aangeslingerd, smeedden onze lust tot angst wanneer wij hun uitgelopen make-up zagen glanzen in het licht van de schaarse straatlantaarns.'

De passage komt uit “Meesters en knechten' een van de kortere verhalen uit de bundel, waarin de “wij' onder aanvoering van een orakelende verslaafde op reis gaan in een land waar ze maar geen contact mee kunnen leggen: “zelfs de raven zagen niets in onze playback van hun stem'. Het is niet moeilijk om in die tocht een creatieve missie te zien, het verslag van hoe een groep kunstenaars probeert een held na te volgen, concludeert dat die niets oplevert en uiteindelijk besluit hun voorbeeld “door de vijfde deur naar buiten [te] smijten.' Dat zou je weer kunnen opvatten als een verklaring van de dichter Boskma die zijn eigen weg is gegaan.

Of gaat het hier, eenvoudiger, om de afrekening met een verslaving. Waarbij de cadans van Boskma's zinnen in een moeite door de roes verbeeldt. Zo zijn er bij de meeste verhalen een paar lezingen mogelijk.

Vaak draait het in Westerlingen om de botsing tussen daadkrachtigen en twijfelaars, of om daadkrachtigen die de twijfelaar in zichzelf ontdekken. Zoals de hoofdpersoon in “Klein wild': in eigen land een gevreesd critica, maar inmiddels gestrand op een veranda in Afrika. Ze kleineert haar bedienden zoals ze dat ongetwijfeld eerder met schrijvers heeft gedaan. Dat maakt nu echter geen indruk meer: iedereen kleineert immers zijn bedienden, waardoor zij niet meer weet waar ze met haar agressie heenmoet.

Ontroerend zijn de pure twijfelaars in de bundel, die soms even lijken te zijn overgewipt uit een verhaal van Biesheuvel. Zoals de man die op een terras meent dat er achter zijn rug iets groots gebeurt, en zich niet omdraait, maar hard wegrent. Of de man in het openingsverhaal die hoort dat er aangebeld wordt. En dat de telefoon gaat. Twijfel: opnemen of opendoen. En dan: gebons op de muur, gezwaai voor het keukenraam, “wat merkwaardig was, want ik woon driehoog'. Het eindigt in berusting en het voornemen aan het werk te gaan. “Bij die gedachte ging ik zitten en het werd zeer stil, want alles vloog heen op brede vleugelen.'

Dat zijn de verhalen waarvan je er eigenlijk iedere dag een zou willen, nee zou moeten lezen.

Pieter Boskma: Westerlingen. Prometheus, 136 blz. euro 18,95