Wouter Bos onderschat zijn overtuigingskracht

Wouter Bos heeft gelijk dat je voor het behoud van de solidariteit niet kunt volstaan met een moreel appèl op de bevolking, zoals Elsbeth Etty in haar kritiek op zijn boek suggereert (NRC Handelsblad, 8 februari). Een politicus moet nu eenmaal ook rekening houden met de gevoelens van het electoraat. In zijn reactie op Etty bepleit Bos daarom dat de groepen die het meest bijdragen aan het instandhouden van de collectieve voorzieningen, er zelf meer van profiteren. Deze conclusie volgt, anders dan hij ons wil doen geloven, echter niet onvermijdelijk uit de eerste constatering.

Allereerst concludeert hij wat te snel dat de bereidheid van de meerderheid van autochtonen om te betalen voor sociale zekerheid afbrokkelt, doordat onevenredig veel allochtonen er gebruik van maken. Uit periodiek onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt hier weinig van. Al decennialang zijn er veel meer mensen die vinden dat de sociale uitkeringen te laag zijn dan dat ze te hoog zijn, en er zijn weinig aanwijzingen dat dit aan het veranderen is. Het draagvlak om de sociale zekerheid in stand te houden, blijkt groter te zijn dan Bos meent.

Vervolgens stelt hij dat het voor het behoud van de solidariteit noodzakelijk is dat de middenklasse er meer van profiteert. Voorzieningen moeten dus niet bij uitstek op de 'onderkant' van de samenleving worden gericht, maar meer aan de middengroepen ten goede komen. Zolang we niet méér aan de collectieve voorzieningen gaan uitgeven dan nu het geval is, zal dat echter betekenen dat er minder middelen naar de onderkant gaan en de solidariteit met de (kans)armen dus afneemt! Wil Bos daadwerkelijk de 'verticale' solidariteit tussen kansrijken en kansarmen versterken en tegelijkertijd de kansrijken er meer profijt van laten hebben (horizontale solidariteit), dan zal er dus beduidend méér geld aan de collectieve voorzieningen moeten worden besteed. En dat extra geld zal vooral door die middengroepen moeten worden opgebracht. Zij gaan dan niet alleen meer betalen voor zichzelf, maar ook voor de onderkant. Daarvoor volstaat een beroep op het welbegrepen eigenbelang - zoals Bos bepleit - dan ook niet, maar zal ook een moreel appèl op hen moeten worden gedaan om solidair te zijn met de kansarmen - en daarmee komen we toch weer bij het standpunt van Elsbeth Etty uit.

Nu lijkt Bos een ontsnappingsweg uit dit dilemma te hebben gevonden: als we met 'een grootscheepse inspanning () het ontstaan van een permanente onderklasse' weten te voorkomen, hoeven er ook minder middelen van de rijken naar de armen te vloeien.

Tja, als we eenmaal zover zijn, heeft hij gelijk. Maar voor het zover is, moeten we wel eerst die 'grootscheepse inspanning' leveren en die zal ongetwijfeld niet goedkoop zijn. En wie moeten de kosten daarvan opbrengen? Juist, de middengroepen, die tegelijkertijd, zoals Bos in zijn boekje voorstelt, op minder financiële steun voor hun studerende kinderen kunnen rekenen. Of dit werkelijk bijdraagt aan het 'herstel van lotsverbondenheid' waarop Bos hoopt, valt nog te bezien!

Bos heeft dan ook nog heel wat uit te leggen aan zijn kiezers. En daar ligt misschien juist wel zijn kans. Hij lijkt de opvattingen die onder de bevolking leven als een gegeven te beschouwen, dat hij als politicus maar te accepteren heeft. Dat klinkt heel realistisch (nieuw links?), maar hij onderschat daarmee het vermogen van politici om de opvattingen die onder de bevolking leven zelf te beïnvloeden.

Wie maar vaak genoeg roept dat het onevenredig grote gebruik van sociale voorzieningen door allochtonen de maatschappelijke solidariteit ondergraaft, draagt daar op den duur zelf aan bij. Opmerkelijk is in dit verband dat de meerderheid van de kiezers in de afgelopen twee decennia een neoliberaal beleid mogelijk heeft gemaakt, terwijl uit onderzoek van onder meer het Sociaal en Cultureel Planbureau en de internet-enquête 21minuten.nl blijkt dat de meeste mensen de voorkeur geven aan een meer sociaal en solidair Nederland, ook als dat met wat minder economische groei gepaard gaat. Maar als burgers van politici steeds weer te horen krijgen dat we - helaas - niet anders kunnen dan onze collectieve voorzieningen terugschroeven, dan moet je niet vreemd opkijken als de kiezers dat op een gegeven moment inderdaad als onvermijdelijk gaan zien. Zo bezien is er nog een schone taak weggelegd voor een politicus die het aandurft voor meer solidariteit te pleiten, maar er dan wel direct bij vertelt dat niet iedereen daar tegelijkertijd beter van kan worden.

www.nrc.nl/opinie:- Artikel Wouter Bos- Column Elsbeth Etty

Paul de Beer is Henri Polak-hoogleraar voor arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam, tevens verbonden aan het Amsterdams Instituut voor ArbeidsStudies (AIAS) en De Burcht (Centrum voor Arbeidsverhoudingen).