Nut Europese subsidies is onduidelijk

De meeste projecten waarvoor Nederland Europese subsidies ontvangt, hebben onduidelijke doelstellingen. Daarom is niet te meten of de subsidies het beoogde doel bereiken.

Dat schrijft de Algemene Rekenkamer in haar vandaag gepubliceerde EU-trendrapport 2006. In deze jaarlijks terugkerende publicatie controleert de Rekenkamer de rechtmatigheid en effectiviteit van de besteding van Europees geld in Nederland en van de Nederlandse afdrachten aan Europa. Al enkele jaren constateert de Rekenkamer dat het hiermee slecht gesteld is, al heeft met name de Europese Commissie wel enige vooruitgang geboekt in de verantwoording.

De meeste subsidies gaan naar landbouwprodukten, sociale programma's in het kader van het Europees sociaal fonds (ESF), technologische projecten en programma's die grensoverschrijdend verkeer moeten bevorderen.

De Rekenkamer stelt in haar publicatie vandaag dat veel van de programma's in de lidstaten blijven hangen in vaag geformuleerde doelstellingen zoals 'versterking van het sociaal-economisch potentieel' of 'versterking van de culturele identiteit'.

Voor de grootste subsidiepost, die voor landbouw, bestaat niet eens een evaluatieprogramma, aldus de Rekenkamer.

Positieve uitzondering vormen fondsen voor de bevordering van grensoverschrijdend openbaar vervoer. Het aantal reizigers dat hiervan gebruik maakt, is opgenomen als een van de indicatoren die het succes van dit programma mede bepaalt.

Net als vorig jaar constateert de Rekenkamer dat de Europese Commissie haar uitgaven (bijvoorbeeld van de directoraten-generaal) beter verantwoordt dan veel de lidstaten met de EU-subsidies doen. Toch kan ook de Europese Commissie nog niet goed duidelijk maken hoe de ongeveer 5 miljard euro die Nederland in 2004 aan de EU afdroeg, is besteed.

Om de verantwoording van de uitgaven van Europees geld in de lidstaten te verbeteren is Nederland, samen met Denemarken, voorstander van de invoering van een zogeheten nationale betrouwbaarheidsverklaring.

Deze verklaring, getekend door de nationale minister van Financiën, geeft aan dat de EU-fondsen rechtmatig zijn besteed. De meeste lidstaten zijn een tegenstander van zo'n verklaring. In sommige landen zoals Duitsland heeft de centrale overheid te weinig zicht op de uitgaven die de regio's doen.