'Nederland gebaat bij minder drama'

Henk Don neemt na een kwart eeuw bij het CPB afscheid als directeur. Hij geeft een kijkje in de keuken van dit invloedrijke economische instituut. 'Een krimpende bevolking is absoluut geen probleem.'

Henk Don (1954), sinds 1 februari 2006 oud-directeur van het Centraal Planbureau, is positief over de daadkracht van het kabinet. Belangrijke zaken zijn volgens hem aangepakt. Foto Roel Rozenburg Den Haag:6.12.4 Directeur CPB. Don. foto Roel Rozenburg Rozenburg, Roel

'Het CPB zoekt de nuance', zegt Henk Don. De vertrekkend directeur van het Centraal Planbureau is een econoom van afgewogen oordelen en voorzichtige uitspraken, wars van de politieke waan van de dag. Hij analyseert economische vraagstukken en houdt zich verre van de opwinding waarin de vierkante beleidskilometer van Den Haag semi-permanent verkeert. Wie behoefte heeft aan extreme stellingnames, hoeft niet bij Henk Don en zijn CPB langs te gaan.

In Nederland kan niemand om het Centraal Planbureau heen. Het CPB, gevestigd in een sober gebouw, verstopt tussen Den Haag en Scheveningen, is in Nederland het invloedrijkste instituut op het gebied van economisch beleid en politiek. Het kabinet maakt gebruik van het CPB voor de onderbouwing van het macro-economische beeld in de miljoenennota, vrijwel alle politieke partijen laten vrijwillig hun verkiezingsprogramma's doorrekenen op werkgelegenheid en de overheidsfinanciën. Het CPB levert politiek gevoelige gegevens over de koopkracht, het doet voorspellingen over economische groei en inflatie. En het publiceert onderzoeksrapporten over een scala aan onderwerpen met een economische invalshoek. Maar het CPB staat ook bekend als een instituut van statische rekenaars, die bij de schatting van de gevolgen van economisch beleid vasthouden aan hun modellen en meer oog hebben voor prikkels dan voor de uitwerking op gedrag.

Don weet dat het CPB kwetsbaar is. Onafhankelijkheid, relevantie en kwaliteit zijn volgens hem daarom de sleutelwoorden: 'We blijven nergens als zou blijken dat we niet onafhankelijk zijn en onvoldoende kwaliteit leveren.'

Het is de taak van het CPB, zegt Don, om stemmingsuitschieters in de politiek te dempen. 'Laat je niet gek maken. Nederland is gebaat bij minder drama als het wat minder gaat en bij minder jubelstemming als het wat beter gaat.'

Eergisteren, op een bijeenkomst in Den Haag ter ere van zijn afscheid, werd Don door de ministers Zalm (Financiën, VVD) en Brinkhorst (Economische Zaken, D66) geroemd als een rolmodel van een echte CPB'er: aardig, deskundig en vooral bescheiden. 'Henk hoeft niet zo nodig op de voorgrond. Hij houdt niet van poespas, hij is sober en zorgvuldig op zoek naar de nuance', zei Zalm.

Als dienstweigeraar die vervangende dienstplicht moest vervullen kwam Henk Don (1954) na zijn studie econometrie aan de Universiteit van Amsterdam in 1978 bij het CPB te werken. Daarna is hij er - met een onderbreking van één jaar onderzoek en onderwijs aan een Amerikaanse universiteit - niet meer weggegaan. In 1989 werd hij onderdirecteur en in 1994 volgde hij directeur Gerrit Zalm op, die minister van Financiën werd in het eerste kabinet-Kok. Eind vorig jaar kondigde Don zijn vertrek per 1 februari aan. Dat is mede ingegeven door privé-omstandigheden - zijn vrouw overleed een jaar geleden en hij wil meer tijd hebben om de zorg voor zijn dochter op zich te nemen - maar na elf jaar vindt hij het ook welletjes geweest. Hij oriënteert zich op een parttime baan.

Een belangrijke vernieuwing tijdens zijn directeurschap noemt hij het kwaliteitsbeleid: de beoordeling door visitatiecommissies van de kwaliteit van het economisch onderzoek en de bewaking van de onafhankelijkheid van het CPB. Zinspelingen op de politieke beïnvloeding van het CPB ergeren Don. Over econoom Eduard Bomhoff, die als minister van Volksgezondheid in het ongelukkige kabinet-Balkenende I openlijk de integriteit van het CPB in twijfel trok, kan hij zich nog boos maken. 'We konden zijn aantijgingen weerleggen door te verwijzen naar externe beoordelingen', zegt Don. Het CPB, zegt hij, heeft geen nauwe banden met een kabinet en levert geen onderzoek dat politici welgevallig is. Hij vertelt dat hij de minister van Economische Zaken - het CPB is een dienst van het ministerie van EZ - drie à vier keer per jaar spreekt en de minister van Financiën niet vaker, al is Zalm een persoonlijke vriend van hem. 'Je moet niet te veel contact hebben met bewindslieden. Innige banden met het kabinet zijn gewoon niet waar. Politici zijn niet altijd tevreden met onze bevindingen. Men is ook wel eens not amused met onze rapporten.' Zo kwam het CPB anderhalf jaar geleden met een voorstel om de VUT-uitkering in een spaarregeling om te zetten (werknemers die geen gebruik van de VUT maakten, zouden hun uitkering kunnen opsparen). Het kabinet dat de VUT wilde afschaffen, zag er niets in en het plan verdween van tafel.

Er is wel sprake van ambtelijk overleg tussen de staf van het CPB en ministeries, waarbij besproken wordt of er onderwerpen zijn die het CPB zou moeten onderzoeken. Het CPB gaat daar niet altijd op in. Na enig nadenken noemt Don een voorbeeld. Bewindslieden wilden wel eens weten wat het verband was tussen economische groeiramingen en de perspectieven van specifieke beroepsgroepen op de arbeidsmarkt. Daar waagde het CPB zich niet aan. 'We kunnen ramingen doen over algemene ontwikkelingen, zoals de werkgelegenheid, maar niet over specifieke beroepsgroepen. Dat vraagt een gedetailleerder kennis van de arbeidsmarkt dan het CPB heeft. Dan heb je het al gauw niet over voorspelbaarheid, maar over koffiedik kijken.'

Andere suggesties heeft het CPB wel overgenomen. Zo is het CPB onderzoek gaan doen naar de invloed van kennis en onderwijs op de economische prestaties. Don: 'Wat draagt een miljard euro extra voor onderwijs bij aan economische groei over een periode van tien jaar? Een precies antwoord valt niet te geven, maar je kunt wel aangeven wat meer of minder kansrijke opties zijn.'

In dit verband is Don kritisch over de doelstelling van de Europese Unie om met kennisinvesteringen de economische groei van Europa op te krikken tot gemiddeld 3 procent, de zogenoemde Lissabon-strategie. 'Dat is betrekkelijk absurd. Zo'n strategie is tot mislukken gedoemd. De demografische omslag in Europa zet de economische groeipercentages onder druk. Als de beroepsbevolking niet toeneemt, moet de economische groei per definitie komen uit verhoging van de arbeidsproductiviteit. Maar dan mag je met een paar tienden van procenten hogere groei al blij zijn.'

De groei van de Nederlandse beroepsbevolking neemt gestaag af en de komende decennia kan de totale bevolking in Nederland, zoals elders in Europa, gaan krimpen. Er zijn economen en politici in Europa die alarm slaan: een krimpende bevolking betekent volgens hen een afnemende welvaart. Don is daar laconiek over. 'De vergrijzing levert verdelingsproblemen op. Daarom moet je de arbeidsparticipatie vergroten en zorgen voor gezonde overheidsfinanciën. Maar een krimpende bevolking is absoluut geen economisch probleem.' Het gaat immers om de groei per hoofd van de bevolking. De welvaart per inwoner zal bij een dalende bevolkingsomvang niet automatisch afnemen. Don: 'Ik zou zeggen: hoera, de bevolking groeit niet meer. Het is geen bron van zorg voor economische kwesties. Het levert eerder winst op. Bij een dalende bevolking neemt de druk af op schaarse goederen, op het milieu en de ruimtelijke ordening.'

Hoewel Don positief is over de inspanningen van het huidige kabinet om de arbeidsparticipatie te verhogen en de overheidsfinanciën op orde te brengen, relativeert hij de betekenis hiervan op de korte termijn. Beweringen van bewindslieden dat het economisch herstel dat zich nu voorzichtig aftekent, geheel en al te danken is aan het gevoerde kabinetsbeleid, verwerpt hij resoluut. 'Het beleid moet ervoor zorgen dat de economie kan profiteren van gunstige externe omstandigheden', zegt hij.

Versterking van de economische structuur en aanpassing van de loonkosten helpen, maar het herstel kan niet rechtstreeks aan het gevoerde beleid worden toegeschreven. 'Aanpassingen hebben tijd nodig', aldus Don. 'Het verlies dat Nederland sinds eind jaren negentig heeft opgelopen, is nog niet ingelopen.' Volgens hem zal de economie op de langere termijn de positieve gevolgen merken van de hervormingen van de sociale zekerheid en versoepelingen van de arbeidsmarkt. 'Het profijt komt later. De werkgelegenheid begint zich te herstellen, maar er zal dit jaar of in 2007 nog geen sprake zijn van een krappe arbeidsmarkt.'

Niettemin is hij positief over de daadkracht van het kabinet. Belangrijke onderwerpen - versoberingen van de arbeidsongeschiktheidswet en prepensioen, invoering van een nieuw zorgstelsel en de levensloopregeling - zijn aangepakt. 'Het enige dossier dat is blijven liggen is de woningmarkt', zegt Don. De secretaris-generaal van Economische Zaken, Jan Willem Oosterwijk, betoogde onlangs hetzelfde in zijn nieuwjaarsartikel voor het economenblad ESB.

Hervorming van de woningmarkt is onlosmakelijk verbonden met discussies over de hypotheekrenteaftrek. Don heeft vaker gezegd dat er een taboe op discussie over beperking van de hypotheekrenteaftrek ligt. Maar hij stelt vast dat dit taboe langzaam maar zeker bespreekbaar is geworden. Dat geldt niet voor een ander netelig Haags onderwerp, de verhoging van de pensioenleeftijd. 'Dit wordt te gemakkelijk naar de toekomst geschoven', meent hij. 'Je moet de AOW-leeftijd ter discussie stellen en tijdig aankondigen dat deze verhoogd wordt. Naarmate de levensduur langer is, neemt het aantal jaren dat mensen een pensioen ontvangen, toe. Dat kan op twee manieren betaald worden: door hogere premies te heffen of door mensen langer te laten doorwerken.

'Natuurlijk moet je beginnen met de verhoging van de arbeidsparticipatie van mensen tussen 60 en 65 jaar', vindt Don, 'maar je moet ook schetsen dat je iets aan de pensioenleeftijd gaat doen. De samenhang tussen demografie en AOW-leeftijd verdient aandacht in het volgende kabinetsakkoord.'

Maar dit zijn niet meer dan kanttekeningen bij het beleid. Over het geheel genomen is Don positief over het Nederlandse economische beleid. De drive om te hervormen is sinds 1990, ondanks sterke conjunctuurschommelingen, voortdurend aanwezig, stelt hij vast. Dat heeft hem positief verrast. Ook het gemak waarmee bij het particuliere pensioenstelsel in 2003 is overgestapt van een eindloonstelsel (waarbij het pensioen gebaseerd is op het laatstverdiende loon) naar een middelloonstelsel (waarbij het gemiddelde loon de basis van het pensioen is), heeft hem aangenaam getroffen. Er werd jarenlang vruchteloos over gepraat, en toen de pensioenfondsen door de waardedaling van hun beleggingen in moeilijkheden kwamen, is het geruisloos gebeurd.

'Nederland', zegt Don, 'mag trots zijn op zijn rationele en evenwichtige beleidsdiscussies op economisch terrein. We voeren hier een genuanceerd en hoogwaardig debat met een gering aantal taboes.'

Zijn er afgezien van het H-woord en de AOW-leeftijd werkelijk geen economische onderwerpen waarover een debat in Nederland politiek taboe is verklaard? Henk Don denkt even na. Dan zegt hij: 'Nee, ik kan ze niet bedenken. Anders had het CPB er wel aandacht voor gevraagd.'