Laat de Polen komen

Alle Europeanen zijn gelijk, maar sommigen zijn nog steeds een beetje gelijker dan anderen. Toen anderhalf jaar geleden een reeks Oost-Europese landen toetrad tot de Europese Unie, werd de oude lidstaten toegestaan een overgangsregeling door te voeren die de toegang van Oost-Europese werknemers tot hun arbeidsmarkt beperkte. In 2011 zal deze regeling vervallen. Pas dan is een basisprincipe van de Unie gegarandeerd: vrij verkeer van alle EU-werknemers. In de tussentijd kunnen de oude lidstaten hun overgangsregeling blijven verlengen en zo de Oost-Europeanen van hun arbeidsmarkt weren. Slechts drie lidstaten - het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Zweden - kozen er destijds voor hun arbeidsmarkt geheel open te stellen. De rest, twaalf lidstaten waaronder Nederland, beriep zich op de overgangsregeling. Per 1 mei aanstaande moet die regeling al dan niet worden verlengd. Op dit moment zwelt het debat daarover aan in Brussel en de nationale parlementen.

De bezwaren tegen een toevloed aan goedkope Oost-Europeanen zijn bekend: zij zouden anderen van de arbeidsmarkt verdringen, werken onder de prijs en voorkomen dat de werkloosheid onder vooral kansarmen vermindert. De meeste van deze bezwaren kunnen na anderhalf jaar praktijk naar het rijk der fabelen worden verwezen. In de drie landen die hun arbeidsmarkt wel openstelden, is geen sprake geweest van een 'vloedgolf' aan Oost-Europese werknemers. De instroom is beperkt gebleven, terwijl de Britten, de Ieren en de Zweden juist een verhoudingsgewijs grote toeloop hadden kunnen verwachten omdat de andere twaalf lidstaten hun markt goeddeels dicht hielden.

Dat Oost-Europeanen onder de prijs werken is een risico. Maar dat euvel doet zich vooral voor als zij geen officiële toestemming hebben en in het zwarte circuit terechtkomen. De realiteit is dat in Nederland veel werk voorhanden is waar Nederlanders zelf geen trek in hebben of waar een tekort aan vaardigheden voor bestaat. Veel bedrijvigheid in ons land zou kunnen bloeien als het tekort aan arbeidskrachten wordt aangezuiverd met gemotiveerd en kundig personeel uit de nieuwe lidstaten. Zelfs het verplaatsen van bedrijven naar Oost-Europa kan deels worden verhinderd als de benodigde werknemers hierheen komen. Voorwaarde is wel dat er legaal wordt gewerkt. Daar wordt iedereen beter van - de schatkist incluis. Op dit moment laat Nederland jaarlijks tussen de twintig- en dertigduizend werknemers uit de nieuwe lidstaten toe. Ze zijn voornamelijk werkzaam in sectoren met moeilijk vervulbare vacatures. Het FNV-plan om een gelijke beloning door strenge controle op de naleving van CAO's af te dwingen, is te rigide. Het is beter dat de markt haar werk doet. Overigens zullen in de praktijk de lonen in de oude en nieuwe lidstaten steeds meer naar elkaar toe groeien.

Het verder verlengen van de overgangsregeling na 1 mei lijkt op papier redelijk. Het veronderstelt dat de economie zich dan beter kan voorbereiden op de schok die de toestroom van Oost-Europeanen teweeg kan brengten. Maar de praktijk leert dat er van zo'n voorbereiding nauwelijks sprake is. De gevreesde dag des oordeels wordt enkel verder uitgesteld. Het vorig jaar aflopen van het internationale textielakkoord hadden de lidstaten ook al jarenlang zien aankomen, en toch was de industrie totaal onvoorbereid op de voorspelde toevloed van Chinees textiel.

In de Tweede Kamer tekent zich op dit moment nog geen duidelijke meerderheid af voor of tegen het schrappen van de overgangsregeling. Het zou goed zijn als de balans uiteindelijk doorslaat naar het verwelkomen van werknemers uit Midden- en Oost-Europa op de arbeidsmarkt. Dat vergroot niet alleen de welvaart daar, maar ook in Nederland.