Het kaf en het koren van Goudstikker

202 kunstwerken uit de Goudstikker-collectie dreigen ons land te verlaten. Musea spreken van een 'aderlating'. Maar hoe groot is eigenlijk hun kunsthistorische waarde?

Uit zuiver artistiek oogpunt zijn lang niet alle Goudstikker-schilderijen van even hoog niveau. Ze zijn niet afkomstig uit zijn privé-collectie en dus ook niet in de eerste plaats aangekocht om tegemoet te komen aan Goudstikkers uitgelezen smaak en persoonlijke voorkeur. Daarom zit er nogal wat kaf tussen het koren. Bij de kunstenaarsnamen in de lijst duiken dan ook regelmatig kwalificaties op als 'kopie naar', 'navolging van' en eenmaal zelfs 'vervalsing van' (Nicolaes Maes). Ruim veertig procent bevindt zich niet in openbare opstellingen, maar in de opslagruimtes van het Instituut Collectie Nederland (ICN) en in niet-museale instellingen. En de musea hebben veel werken - en vaak niet zonder reden - weggestopt in hun depots.

Maar ook schilderijen van mindere artistieke kwaliteit kunnen van kunsthistorisch belang zijn, zoals het geval is bij een grote groep werken uit het Bonnefantenmuseum in Maastricht. Kwantitatief is dit de veruit zwaarst getroffen instelling. Terwijl de andere twintig musea slechts enkele, nooit meer dan dertien (Noordbrabants Museum Den Bosch), kunstwerken hoeven af te staan, moet Maastricht er liefst 38 inleveren. Voor het grootste deel zijn dat Italiaanse schilderijen uit de vijftiende en zestiende eeuw. Kunsthistoricus Victor Schmidt, expert op het gebied van de Italiaanse late Middeleeuwen aan de Rijksuniversiteit Groningen: 'Uiteraard vind ik het bijzonder jammer dat een groot aantal Italianen uit Maastricht zou verdwijnen.' Maar, voegt hij eraan toe, 'we kunnen vaststellen dat de meeste schilderijen, afgezien wellicht van een Heilige Lucia door Jacopo del Casentino, niet van topniveau zijn'. Zelfs het indrukwekkende ronde schilderij met de Aanbidding van Christus uit omstreeks 1495 noemt Schmidt 'op zijn best een atelierrepliek' van een werk van de Florentijnse meester Filippino Lippi.

Toch is de verzameling Italianen in Maastricht alleen al door haar omvang uniek in Nederland. Bovendien is er de afgelopen vijftien jaar veel geïnvesteerd in restauratie en onderzoek. Daardoor is kunsthistorische informatie aan het licht gekomen die veel langer verborgen zou zijn gebleven als Goudstikker zijn kunsthandel had kunnen voortzetten en de schilderijen vijftig jaar geleden verspreid waren geraakt.

Als het worst-case scenario werkelijkheid wordt en alle 202 gerestitueerde schilderijen van Goudstikker daadwerkelijk uit Nederlandse openbare collecties verdwijnen is dat in ieder geval in kwantitatieve zin een gevoelig verlies voor het Nederlandse openbaar kunstbezit. Het zal een betrekkelijk klein museum als Rijksmuseum Twenthe, dat weliswaar alleen een portret door de zestiende-eeuwse Duitse meester Lucas Cranach kwijtraakt, misschien meer pijn doen dan grotere instellingen, zoals het Amsterdamse Rijksmuseum, waar de boom zo vol geladen is dat men een paar pruimpjes nauwelijks schijnt te missen.

Uit oogpunt van kwaliteit is de pijn lichter. Op de lijst van gerestitueerde schilderijen staat een relatief klein aantal regelrechte topstukken van beroemde schilders, zoals Salomon van Ruysdaels Rivierlandschap (ca. 1649, nu nog in het Rijksmuseum Amsterdam), en een Gezicht op de Oude Maas bij Dordrecht door Jan van Goyen (Dordrechts Museum). Die zullen gemist worden, maar veel zeldzamer in Nederlandse musea zijn werken als David en Uria (1619, Mauritshuis, Den Haag) door Pieter Lastman, die vooral bekend is geworden als leermeester van Rembrandt, en een landschap van de Franse meester Claude Lorrain (Museum Boijmans Van Beuningen). Uit een vroegere periode stamt de Opstanding van Christus, een paneel van de anonieme 'Meester van de Virgo inter virgines' (1475-1500, Rijksmuseum): een prachtig staaltje van laat-middeleeuwse religieuze schilderkunst in de Noordelijke Nederlanden.

Een mooi voorbeeld van een werk dat weinig bekend is maar dat, mocht het worden verkocht en in een particuliere collectie onderduiken, node zal worden gemist, is een wonderlijk schilderij van de zeventiende-eeuwse Amsterdamse meester Thomas de Keyser (Catharijneconvent Utrecht). Het stelt een Hollandse huisvader voor die, vermomd als de oudtestamentische leider Mozes, samen met enkele familieleden een bijbelse scène uitbeeldt. Rudie van Leeuwen, die aan de Radboud Universiteit Nijmegen een dissertatie voorbereidt over het bijbelse portrait historié in de Gouden Eeuw, benadrukt dat het schilderij niet alleen inhoudelijk interessant is en nadere studie verdient. Ook de dynamiek en originaliteit van de compositie maken het werk in het oeuvre van De Keyser, die vaak nogal statische portretten maakte, bijzonder - 'een aangenaam buitenbeentje'.

Vanuit een statig pand aan de Amsterdamse Herengracht dreef Jacques Goudstikker (1897-1940) tijdens het interbellum zijn voortreffelijk gesorteerde kunsthandel met, zoals zijn visitekaartje vermeldde 'Old paintings of all periods'. De werken waren in de eerste plaats handelswaar. Afgezien wellicht van twee zeventiende-eeuwse schilderijen met gezichten op zijn buitenplaats kasteel Nijenrode, verraden ze weinig van de persoonlijke voorkeuren van de eigenaar. Alleen al daarom zou een nieuw te stichten 'Rijksmuseum Goudstikker' - een idee dat gisteren werd geopperd - vooral de indruk wekken van de toonzaal van een kunsthandel, waar rijp en groen ongemakkelijk naast elkaar hangen.

Intussen zijn sommige cruciale, zeldzame, of tenminste curieuze kunstwerken een halve eeuw bewaard en gekoesterd in Nederlandse musea. Vanuit kunsthistorisch oogpunt is het veel meer te hopen dat die werken dat, door middel van bruikleenovereenkomsten met de erven-Goudstikker, ook in de toekomst zullen blijven doen.