Schep ruimte voor de creatieve burger

Dat het kabinet het creatieve vermogen in Nederland wil stimuleren is prima, maar daarbij staat het belang van de economie te centraal, betoogt Arjo Klamer.

Het kabinet wil het creatieve vermogen in Nederland stimuleren. Dat is verheugend. Het is wel jammer dat in de beleidsbrief “Ons Creatief Vermogen: cultuur en economie' aan de Tweede Kamer de bewindslieden van Economische Zaken en OCW weliswaar een terecht verband leggen tussen cultuur en economie, maar het zou van meer visie hebben getuigd indien zij de cultuur centraal hadden gesteld en niet de economie.

Als cultuur niet alleen staat voor wat een groep mensen bindt, en waarmee ze zich onderscheiden van andere groepen, maar ook voor wat betekenis geeft aan het bestaan - dan moet cultuur het doel zijn. Wij leven niet om te werken en om geld te verdienen, maar wij werken en verdienen geld om iets van het leven te maken. Samen, alleen, thuis, op het sportveld of in de kerk.

Dat blijkt uit het toenemende aandeel van symbolische goederen in de economie. Mensen kijken televisie, gaan met vakantie, kopen mooie kleren, stijlvolle auto's, servies en ijskasten, bezoeken musea en theaters, gaan naar de kerk of volgen allerlei cursussen in spiritualiteit en kunst omdat ze extra waarde aan het leven willen geven. Sommige collega's spreken daarom graag over de belevingseconomie. Ik houd het erop dat mensen sociale en culturele waarden willen realiseren. Het gaat om een waardevol en dus betekenisvol leven.

Het gevolg van de toenemende behoefte aan betekenis is dat de economie van aard verandert. Ging het nog niet zo lang geleden om de productie van voedsel en zaken, nu gaat het steeds meer om de productie van iets ontastbaars, van iets ideëels, van betekenissen dus.

Steeds meer mensen zijn daar mee bezig. Ze bedenken concepten, vormen, beelden die andere mensen aanspreken. Het maken van een auto is een kwestie van techniek en organisatie. Het zorgen dat een auto iets bijzonders heeft, een speciaal gevoel geeft, een begrip wordt, is iets heel anders. Het is als het bedenken van een film, en het bedenken van de manier waarop een film mensen zo fascineert dat ze die willen zien en erover willen praten.

De uitdaging in deze economie is het verzinnen van activiteiten, beelden en vormen die tot de verbeelding spreken. Het gaat dus niet alleen om kennis, maar om veel meer.

Het is goed dat het kabinet deze ontwikkeling onderkent. Maar, zoals boven reeds gezegd, de beleidsbrief is te economisch gericht. Cultuur wordt opgevat als een productiefactor, als de creatieve input in het productieproces; creatieve mensen zijn vooral van belang wegens hun bijdrage aan de economische activiteit. Omdat bedrijven creatieve mensen hard nodig hebben, moeten zij culturele instellingen steunen, onder meer met donaties.

Die culturele instellingen moeten zakelijker worden en meer inspelen op de behoeften van het bedrijfsleven - het zogeheten cultureel ondernemerschap. Ze moeten hun merk te gelde maken, zoals het Van Gogh Museum in Amsterdam dat doet. Om die economische gerichtheid van de creatieve medemens te bevorderen, wil de overheid het onderwijzen van cultureel ondernemerschap financieren, alsmede makelaars op de been helpen die de creatieve sector en het bedrijfsleven met elkaar in contact gaan brengen.

Afgezien van het luttele bedrag dat de overheid wil inzetten om dit alles te bevorderen, 15,4 miljoen euro, zullen deze maatregelen weinig effect hebben op “ons creatief vermogen'. Zoals Richard Florida in zijn The Rise of the Creatvie Class (2002) en Sophie Schweizer in haar dissertatie over creativiteit (2004) hebben laten zien, heeft de creatieve mens een ondersteunende omgeving nodig om creatief te zijn. Creativiteit is mogelijk onder economische druk, maar zoals een creatieve samenleving als de Amerikaanse laat zien, heeft het juist ook vrijhavens nodig waarin mensen de verbeelding kunnen laten spreken zonder direct afgerekend te worden op het economische resultaat. Daarom investeren Amerikanen veel in hoogwaardige academische settings waarin niet alleen de wetenschappen maar ook de kunsten bedreven worden.

In vergelijking met de ambtelijke Nederlandse universiteiten genereren die Amerikaanse instellingen zeer creatieve en stimulerende omgevingen. Het verkeren in gezelschap van mensen die intensief met iets nieuws bezig zijn, stimuleert om dat zelf ook te doen. Via de meer praktisch ingestelde studenten stroomt die energie vervolgens naar de economische praktijk.

Het gaat dus om het genereren van creatieve omgevingen en het steunen van die omgevingen. In de VS zijn het in de eerste plaats de Amerikanen zelf die die steun geven en pas in de tweede plaats de overheid.

Het ideaal van creatieve wetenschappen en autonome kunsten staat daarbij voorop. Zover zijn we hier in Nederland nog niet, zoals deze beleidsbrief laat zien.

Arjo Klamer is hoogleraar culturele economie aan de Erasmus Universiteit en initiatiefnemer van de Academia Vitae in Deventer, bedoeld als een inspirerende en creatieve academische omgeving.