Programma Olympische Winterspelen Turijn 2006

Alpineskiën

Alpineskiën kent vijf disciplines. Ze verschillen wat betreft de piste, het hoogteverschil tussen start en finish, het aantal poorten en de plaats van die poorten.

Afdaling (downhill): Van alle alpinedisciplines heeft deze het steilste parcours en de afstanden tussen de poorten zijn groot. De deelnemers hebben één poging om de eindstreep te halen.

Slalom: heeft de kortste piste en de scherpste bochten. De slalomwedstrijd bestaat uit twee manches.

Reuzen slalom (gigant slalom): De reuzenslalom heeft minder bochten. Elke deelnemer skiet twee manches.

Super-G: De super reuzenslalom combineert de snelheid van de afdaling met het precieze bochtenwerk van de reuzenslalom. De piste is korter dan die van de afdaling, maar langer dan die van de reuzenslalom.

Combinatie (combined): De combinatie-wedstrijd bestaat uit een afdaling, gevolgd door twee slalom-manches. De pistes voor de combinatie-wedstrijden zijn korter dan die van de gewone afdaling en slalom. Bron: NOC*NSF

Freestyle

De freestylers kennen twee disciplines: Mogulskiërs moeten zo snel mogelijk over een piste vol hobbels (moguls) naar beneden en onderweg ook nog twee sprongen maken. De deelnemers proberen zo snel mogelijk naar beneden te skiën, terwijl zij de schokken van de hobbels absorberen door hun rug en knieën te buigen. De ski's mogen het sneeuwoppervlak niet verlaten, behalve bij de twee verplichte sprongen. De score kan maximaal 30 punten bedragen en bestaat uit punten voor skibewegingen, luchtsprongen en snelheid.

Bij het aerials maken de skiërs spectaculaire salto's en draaiingen in de lucht. Dit gebeurt vanaf zeer steile hellingen met kleine sneeuwschansen. Elke sprong bij het aerials wordt door een jury gewaardeerd tot een maximum van 30 punten, bestaande uit de componenten: lucht, vorm en landing. De totale sprongscore wordt vermenigvuldigd met de vooraf vastgestelde moeilijkheidsgraad van de betreffende sprong. Bron: NOC*NSF

Langlaufen

Langlaufen kent twee vormen. Klassiek langlaufen is voorwaarts glijdende stappen maken binnen smalle, voorgebaande glijsporen. Freestyle is brede schaatsbewegingen maken over de hele beschikbare baan. Er zijn diverse afstanden waarop gestreden kan worden: van 1,5 kilometer sprint tot 50 kilometer marathon. Men strijdt individueel of met een team. Voor alle afstanden geldt: de sporter met de beste tijd wint. Bron: NOC*NSF

Noordse combinatie

De Noordse combinatie telt drie onderdelen, waarin altijd schansspringen en langlaufen worden gecombineerd. Aan de wedstrijden doen alleen mannen mee. Aan het eind van het schansspringen kent een jury een totaalscore toe, waarbij rekening is gehouden met de lengte van de sprong(en), de technische uitvoering en de stijl ervan. De startvolgorde bij het langlaufen wordt bepaald door de totaalscore bij het schansspringen. Uiteindelijk is degene die bij het langlaufen als eerste over de finish komt, de winnaar van de totale wedstrijd. Bron: NOC*NSF

Schansspringen

Het olympisch schansspringen kent drie onderdelen. In de teamwedstrijd en in één van de individuele wedstrijden springen de deelnemers van de hoge schans, waarvan het hoogteverschil in Turijn 140 meter bedraagt. In de andere individuele wedstrijd wordt gebruik gemaakt van de normale schans. Het hoogteverschil van deze schans bedraagt in Turijn 106 meter. In elke wedstrijd moeten de deelnemers twee sprongen maken. De atleet die de hoogste totaalscore krijgt toegekend, is de winnaar. Bron: NOC*NSF

Snowboarden

Snowboarden kent drie disciplines. De halfpipers doen spectaculaire stunts in de lucht, terwijl de boardercrossers razendsnel moeten reageren op alle obstakels die zij op hun weg naar beneden tegen komen. De parallel reuzenslalom heeft iets weg van de reuzenslalom bij het alpineskiën, zij het dat de deelnemers hier uiteindelijk in paren met elkaar strijden. Bron: NOC*NSF

Biathlon

Biathlon combineert langlaufen met schietsport. De sporters leggen een aantal ronden over een vast parcours af. Bijna elke ronde wordt afgesloten met een schietbeurt van vijf pogingen. Missers worden bestraft. De winnaar is degene die de hele wedstrijd het snelste aflegt, dus inclusief schietbeurten en eventuele straffen. Bron: NOC*NSF

Bobsleeën, rodelen en skeleton

Bij deze sporten storten de deelnemers zich in of op hun slee van een gladde ijspiste. Snelheid en stuurmanskunst bepalen wie er het snelst over de finish komt. Wedstrijden bestaan uit twee of vier runs. Wie uiteindelijk de laagste totaaltijd heeft, is de winnaar. Bij bobsleeën zit men in de slee, bij rodelen ligt de sporter op de rug en bij skeleton op de buik op een platte slee. Bron: NOC*NSF

Curling

Twee teams van elk vier personen spelen tegen elkaar op een gladde ijsvloer. De bedoeling is grote granieten stenen zo dicht mogelijk bij de “tee' (het doel) te krijgen. Elke steen die dichter bij de tee ligt dan de beste steen van de tegenstander is een punt waard. Het team dat na tien “ends' (beurten) van acht stenen de meeste punten heeft gescoord, is de winnaar. Bron: NOC*NSF

IJshockey

In een ijshockeywedstrijd spelen twee teams tegen elkaar. De spelers staan op schaatsen en hebben elk een stick. Met die sticks spelen zij de puck, die in het doel van de tegenstander moet om een punt te scoren. Het team met de meeste punten wint. In Turijn komen bij het ijshockeyen twaalf mannenteams en acht vrouwenteams tegen elkaar uit. Bron: NOC*NSF

Kunstrijden

Het kunstrijden heeft vier varianten: Mannen, vrouwen, paren en ijsdansen. Het kunstrijden op de schaats is altijd een van de grote publiekstrekkers tijdens Olympische Winterspelen. De populariteit wordt bepaald door de combinatie van muziek, vloeiende schaatsbewegingen en indrukwekkende sprongen en pirouettes. Bron: NOC*NSF

Schaatsen

Het schaatsen kent de volgende onderdelen:

Mannen: 500, 1.000, 1.500, 5.000, 10.000 en teamachtervolging; Vrouwen: 500, 1.000, 1.500, 3.000, 5.000 en teamachtervolging.

De schaatsbaan heeft een ovalen vorm, waarvan de totale lengte 400 meter bedraagt. De deelnemers van elke afstand rijden in paren tegen elkaar. Degene die de snelste tijd van het totale deelnemersveld neerzet, is de winnaar. De tijden worden tot op honderdsten van seconden gemeten.

Op elke afstand rijden de deelnemers één race, behalve op de 500 meter. Op deze afstand rijdt elke deelnemer twee keer. De tijden van de twee races worden bij elkaar opgeteld. De snelste totaaltijd bepaalt wie de winnaar is.

De binnenbaan van de schaatsovaal heeft een kortere afstand dan de buitenbaan. Daarom moeten beide schaatsers in elke ronde van baan wisselen, behalve na het eerste rechte stuk van de 1.000 en 1.500 meter. Arriveren beide schaatsers tegelijk bij de wisselplaats, dan heeft de schaatser die van de buiten- naar de binnenbaan switcht voorrang.

In Turijn staat voor het eerst de teamachtervolging op het programma. Op dit onderdeel starten steeds twee teams tegelijk, elk aan een uiteinde van de baan. Elk team bestaat uit drie personen, die elkaar tijdens de race steeds aflossen op de kop. Een team is gefinisht als de derde rijder over de finishlijn gaat. Bron: NOC*NSF

Shorttrack

Het shorttrack in Turijn heeft de volgende onderdelen: Mannen Vrouwen 500, 1.000 en 1.500 meter en 5.000 meter estafette voor mannen en 3.000 voor vrouwen. Shorttrack vindt plaats op de korte ovaal (111,12 meter) en levert veel spektakel door het snelle bochtenwerk, het eliminatiesysteem, de massastarts en één gedeelde wedstrijdbaan. Bij de estafette bestaat elk team uit vier schaatsers. Over het algemeen rijden zij elk anderhalf tot twee ronden voor zij door een ander teamlid worden afgelost. Bron: NOC*NSF