Oud-links helpt solidariteit om zeep

We kunnen het vervelend vinden dat voor veel mensen het hemd nader is dan de rok, maar daarmee blijven de feiten wel zoals ze zijn. Daarom is het belangrijk bij het inrichten van de samenleving uit te gaan van lotsverbondenheid én eigenbelang, vindt Wouter Bos.

Elsbeth Etty heeft mijn boek Dit land kan zoveel beter gelezen. Ze vindt het maar niks, want ze eindigt haar column op deze pagina van 31 januari met de cynische vraag “Wat vindt Bos nu echt?“ - om die vraag vervolgens, trouw aan Hamlet zelf, te beantwoorden met een zeker zo cynisch “Words, words, words“. Ik ben natuurlijk blij dat zij mijn boek gelezen heeft, maar ik trek het me wel aan dat ze het niet begrepen heeft. Juist omdat ze met haar zienswijze mijn gelijk bewijst dat wie op een oud-linkse wijze naar solidariteit kijkt, uiteindelijk de solidariteit om zeep helpt, wil ik op haar centrale stelling ingaan. Met Etty in de rol van oud-links welteverstaan.

Etty begrijpt het niet als ik, als ik het over solidariteit heb, beschrijf dat veel mensen meer begaan waren met de brand in Volendam dan met de brand op Schiphol en dat het bij solidariteit kennelijk voor mensen iets uit maakt hoe goed ze zich kunnen identificeren met de mensen met wie ze solidair moeten zijn.

Ze leidt daaruit af dat voor mij het hemd nader is dan de rok en schuift me vervolgens in de schoenen dat ik te veel naar de mensen luister, dat ik vind dat groepssolidariteit en groepsegoïsme bediend moeten worden, en dat ik het helemaal mis heb als ik denk dat solidariteit zich beperkt tot verwanten, vrienden, bekenden en lotgenoten, want zij zelf voelt zich immers ook solidair met mensen die ze helemaal niet kent. Tja.

Het zijn al met al wel vier oud-linkse denkfouten bij elkaar die in de vernieuwing van de PvdA in de afgelopen jaren gelukkig gesneuveld zijn.

Ten eerste: Etty voelt zich met bekenden net zo makkelijk solidair als met onbekenden en veronderstelt dat dit voor alle mensen geldt. Was het maar zo. De realiteit is dat onze samenleving niet uit louter kosmopolitische linkse intellectuelen bestaat. Juist linkse partijen zijn de afgelopen jaren op terreinen als integratie en Europa zo in het defensief gekomen omdat het denken over deze onderwerpen bij de intellectuelen in de achterban langs heel andere sporen liep dan bij de “volksen' in de achterban.

Daar komt meteen de tweede fout in de redenering van Etty om de hoek kijken: we kunnen het vervelend vinden dat voor veel mensen het hemd nader is dan de rok, maar daarmee blijven de feiten wel zoals ze zijn. Voor de tsunami wordt meer gegeven dan voor de aardbeving in Pakistan. De brand in Volendam roept meer compassie op dan de brand op Schiphol. Solidariteit tussen autochtonen en allochtonen is moeilijker te organiseren dan tussen autochtonen onderling. Dat vind ik, in tegenstelling tot wat Etty beweert, net zo vervelend als zij. Maar daarmee verdwijnt het als reëel maatschappelijke ontwikkeling helaas nog niet.

Juist progressieve intellectuelen en politici wie er iets aan gelegen zou moeten zijn om solidariteit te kunnen blijven organiseren, moeten dit soort processen begrijpen en tot uitgangspunt van hun handelen maken. Dat doen ze, zo blijkt bij Etty, helaas nog niet altijd. Haar reflex is klassiek: laten we er onze morele afschuw over uitspreken, dan is het er niet. Laten we solidariteit vooral bezien als een kwestie van moraal, iets wat niets te maken heeft met al of niet welbegrepen eigenbelang of verderfelijke culturele bekrompenheden, iets wat zo moreel hoogstaand is dat het de hemd-staat-nader-dan-de-rok-redeneringen overstijgt en uitschakelt.

Ten derde, hoe loffelijk en moreel hoogstaand Etty's betoog ook is: solidariteit heeft altijd een element van moraal gehad, maar dat is nooit genoeg geweest. Abram de Swaan en vele anderen hebben overtuigend beschreven dat de sociale zekerheid in de loop der tijd niet alleen is ontstaan omdat we het moreel geboden vonden een vangnet voor zwakkeren te spannen, maar minstens zozeer vanuit het welbegrepen eigenbelang dat we dat vangnet misschien ooit zelf nodig zouden hebben. Armoede wordt niet alleen bestreden omdat we het vernederend voor de armen vinden, maar ook omdat degenen die het wel goed hebben, de overlast en criminaliteit vrezen die met armoede gepaard kunnen gaan.

Als ik in mijn boek constateer dat de betalers van solidariteit in toenemende mate onevenredig autochtoon zijn en de ontvangers in toenemende mate onevenredig allochtoon, dan constateer ik een kloof die steeds moeilijker te overbruggen zal zijn. Het is mijn overtuiging dat die kloof niet alleen maar met een beroep op de moraal kan worden overbrugd. Dat is in het verleden voor de totstandbrenging van solidariteit ook nooit genoeg geweest. We zullen, net als in het verleden, de lotsverbondenheid terug moeten brengen zodat ook het welbegrepen eigenbelang weer wordt gevoeld door degenen die per saldo voor de solidariteit betalen.

In de Amerikaanse samenleving heeft de middenklasse geen boodschap aan solidariteit, omdat deze er ook geen belang bij heeft. Ze verzekert zichzelf immers voor de pech die haar zelf in het leven kan treffen en betaalt belasting voor een overheid die er vooral is voor “de ander', de allerarmsten. Het is geen toeval dat juist in zo'n type samenleving de publieke sector schraal is en de solidariteit tekortschiet.

Deze constatering wijst ons op de vierde oud-linkse denkfout van Etty, die wij gelukkig achter ons gelaten hebben. Ik vind dat wie de solidariteit in de samenleving wil behouden, zich niet alleen het lot van de ontvanger van solidariteit moet aantrekken maar ook dat van de betaler. Dat leidt in de samenleving van vandaag tot grote dilemma's. Bijvoorbeeld omdat de belastingbetalende middenklasse steeds kritischer wordt ten opzichte van gedwongen afdrachten van belastingen en premies, zeker naarmate de mogelijkheden om voor zichzelf te zorgen en niet aan collectieve arrangementen (sociale zekerheid, onderwijs, zorg, veiligheid) deel te nemen, groter worden. En als dan ook nog eens een keer de groep die het meest profiteert van die solidariteit zich cultureel steeds verder verwijdert van deze betalers, het idee ontstaat dat ze hun maatschappelijke achterstandspositie vooral aan zichzelf te danken hebben en de achterstand die ze hebben eigenlijk nauwelijks meer in te halen valt, dan zal het steeds moeilijker blijken om de middengroepen te motiveren hun bijdrage te blijven geven aan de instandhouding van die solidariteit.

Is dat een reden om te wanhopen? Nee. Maar het vergt wel een aantal koersverleggingen. Om te beginnen het verlaten van het wensdenken van Etty en het tot uitgangspunt nemen van zich reëel voordoende ontwikkelingen in onze samenleving, of we die nu leuk vinden of niet.

Ten tweede een grootscheepse inspanning om het ontstaan van een permanente onderklasse, waarin de scheidslijn tussen kansarm en kansrijk steeds vaker samenvalt met etnische scheidslijnen, te voorkomen. Daarbij zal het vooral draaien om werk, onderwijs en emancipatie.

Ten derde een herstel van saamhorigheid door te werken aan een nieuw burgerschap waarbij een nieuwe balans wordt getroffen tussen de noodzaak enerzijds gemeenschappelijke waarden te koesteren, te beschermen en uit te dragen en anderzijds burgers te leren omgaan met onderlinge verschillen.

En ten slotte een herstel van lotsverbondenheid waarbij natuurlijk een moreel beroep op belastingbetalers gedaan moet blijven worden om hun steentje bij te dragen, maar we het onszelf toch wel iets makkelijker zouden maken als we de belastingbetalende middengroepen daar ook weer een welbegrepen eigenbelang bij zouden kunnen geven.

Dat kan op allerlei manieren die ik in mijn boek uitgebreid toelicht. Laat ik hier de oplossingsrichting uitwerken waarbij het versterken van de band tussen wat er betaald wordt en wat er ontvangen wordt centraal staat. Bijvoorbeeld door te decentraliseren waardoor de afstand tot de politici die kunnen worden aangesproken op de besteding van het belastinggeld, veel kleiner wordt. Bijvoorbeeld door belastingen te oormerken, waardoor de betaalde belastingen niet in een black box terechtkomen maar alleen maar voor een bepaald doel aangewend kunnen worden. Bijvoorbeeld door de mogelijkheid te creëren mensen extra te laten betalen mits daar dan ook extra dienstverlening tegenover staat. Bijvoorbeeld door buurtbewoners zeggenschap te geven over gemeentelijke budgetten en prioriteiten, denk aan het veiligheidsbudget. Het zijn manieren om mensen te blijven motiveren hun bijdrage te blijven leveren aan het grotere geheel. En natuurlijk, ook ik zou liever leven in een samenleving waarin mensen daar helemaal niet toe aangezet zouden hoeven worden, omdat ze uit zichzelf al net zo sociaal voelend zijn als Elsbeth Etty. Die samenleving bestaat helaas niet.

Wouter Bos is fractievoorzitter van de Partij van de Arbeid in de Tweede Kamer.