De Spelen van 1956

Cortina d'Ampezzo was vijftig jaar geleden de eerste en tot nu toe enige Italiaanse gastheer van de Olympische Winterspelen. Het skioord in de Dolomieten ligt 1.250 meter boven de zeespiegel en tijdens de Spelen van 1956 vroor het overdag soms meer dan twintig graden. De schaatsers reden op een meer; het natuurijs werd wonderijs genoemd, zo snel kon er volgens de toenmalige normen worden gereden. Zo schaatste de Rus Evgeni Grishin een wereldrecord op de 500 meter (40,2 seconden). De Nederlanders vielen buiten de prijzen. Kees Broekman, die in 1952 bij de Spelen van Oslo als eerste Nederlander een schaatsmedaille won, moest op de vijf kilometer de vierde plaats delen met zijn landgenoot Wim de Graaff die op sneller ijs reed.Bij het kunstrijden, dat toen ook nog in de open lucht plaatsvond, hadden de juryleden door de aanhoudende sneeuwval grote moeite de sprongkracht van de deelnemers te beoordelen. Een Nederlandse waarnemer kreeg flessen en sinaasappels naar zijn hoofd geslingerd; de Italiaanse toeschouwers waren het niet eens met het lage cijfer voor een landgenoot. De Nederlandse talentjes Sjoukje Dijkstra (14) en Joan Haanappel (15) stonden nog aan het begin van hun schaatsloopbaan. Ze werden respectievelijk twaalfde en dertiende in het klassement. De meeste aandacht bij het kunstrijden trok de Amerikaanse Carol Heiss, die volgens de Italiaanse mannen gelijkenissen met filmdiva Grace Kelly vertoonde. De publiekslievelinge schaatste de moeilijkste kür, maar ze won “slechts' zilver. Bij de mannen werd Toni Sailor uitgeroepen tot de “Koning van de Spelen'. De Zwitserse skiër won drie keer goud. Zijn landgenote Madeleine Berthod won de afdaling. Zij had met een lengte van 1.50 meter de minste last van de sneeuwstorm. De ijshockeyers van de Sovjet-Unie doorbraken na twintig jaar de hegemonie van Canada.