De opera in Manáus

Rinus en Tine Vlugter zijn allebei 70 en ik heb hen gesproken vlak voor ze naar Bolivia vertrokken. De tafel raakte bezaaid met Lonely Planets om plannen te verduidelijken. Op zeker moment zei hij: “Wij reizen als backpackers“, en toen drong het tot me door dat ik gewend was aan kínderen met zulke plannen, jongens van dertig.

Ze hadden elkaar in 1954 leren kennen en gingen in 1955 met de NRV naar de Dolomieten, hun eerste en enige groepsreis. Rinus stelde vast: “Dat kunnen wij beter.“ In 1956 vonden ze per advertentie iemand met een auto die hen voor 25 gulden wilde meenemen naar Oostenrijk (en terug). Voor hun verblijf daar hadden ze toen nog 180 gulden over. Extreem de bergen in.

Tine: “Mensen schijnen een dingetje in hun hersenen te hebben dat gevoelig is voor gevaar. Bij hem ontbreekt dat.“

Goed, het echte werk was begonnen en het is nog altijd niet voltooid. Vorig jaar bijvoorbeeld - vorig jaar waren ze op de fiets gestapt en naar Rostock gereden, van Rostock naar Tallin met de boot, per fiets door de Baltische staten, per boot terug over de Oostzee en per fiets weer dwars door Duitsland naar huis.

Nu naar Bolivia. Rinus bleek mee te doen aan het PUM, het Programma Uitzending Managers, een gezamenlijk project van VNO en Buitenlandse Zaken. Nederland betaalt de reis, de ontvangende partij betaalt het verblijf, je werk doe je pro Deo.

In Santa Cruz was een bouwbedrijf dat problemen had met de productie van polystyreen, piepschuim, isolatiemateriaal. “Het proces gaat te traag en levert een te grove korrel op. Misschien is de receptuur niet goed. Misschien zijn de grondstoffen niet zuiver. Waarschijnlijk doen ze nog veel handmatig en daardoor minder secuur.“

Voor dit karwei (drie weken) nam hij een net pak mee en dat zou hij daar dan achterlaten, weggeven. Want verder reizen ze zonder koffer.

“En u“, vroeg ik. “Wat doet u in die tijd?“

Tine: “Ik neem contact op met de Nederlandse consul. Er zijn in zo'n land altijd wel gehandicapte kinderen die je te eten kunt geven of met wie nodig eens iemand moet gaan spelen.“

Rinus: “Het is niet de bedoeling dat je je vrouw meeneemt. Dus dat doen we op eigen kosten.“

Tine: “En misschien is er een International Women's Club, dan kan ik een lezing geven.“

“Over de gezelligheid in Brabant?“

“In India heb ik eens een lezing gegeven over het Nederlandse euthanasiebeleid.“

Rinus was chemisch ingenieur bij Shell. Pernis, Engeland, India, Moerdijk. De welstand waarin ze leven is met arbeid tot stand gebracht.

Toen hij elf jaar geleden met pensioen ging, hadden ze Zuid-Amerika van Vuurland tot helemaal in het noorden gedaan. De toeristische kant van Bolivia kenden ze dus: La Paz, het Titicacameer, de zilvermijnen van Potosi, het zoutmeer van Uyuni, allemaal Andes. Santa Cruz ligt meer naar het oosten, meer in de laagte, al op de rand van de Amazonebekken. En dat was nu de bedoeling: de Amazone af. Maar liever niet per boot.

Rinus: “Boten gaan zo langzaam, je zit je rot te vervelen.“

Tine: “En je slaapt in een hangmat, je wordt opgevreten door de muskieten.“

Kortom, dit per vliegtuig, dat per bus en daar een stuk met een draagvleugelboot. Naar Porto Velho, naar Manáus. Rinus: “Daar staat een operagebouw dat nooit gebruikt is.“ Tine: “Dat moet je gezien hebben.“ En dat zei ze sarcastisch, maar ze gíngen wel.

Santarém, Belém, langs de Atlantische kust naar Rio de Janeiro en tot besluit zouden ze een kijkje nemen in Paraguay.

Tine: “Wij hebben een hoog tempo.“

Rinus: “Een hoog tempo. En wij houden absoluut niet van steden, wij houden heel veel van natuur.“

Tine: “Hij heet niet voor niets Vlugter. Ik loop mijn hele leven al achter die man aan te hollen. Maar ik heb me ook geen dag met hem verveeld.“

Rinus: “We komen op 25 maart terug en op 1 april zegt zij: wat doen we met de volgende vakantie?“

Tine: “Dat begint meestal in het vliegtuig terug al. Ik ben nog lang niet klaar met leven. Ik moet eens een lijstje maken van wat ik nog wil. Canada ten noorden van Vancouver hebben we nog niet gedaan, en we hebben nog een groot gat in Rusland.“

Rinus: “China hebben we goed bereisd. Maar in Korea zijn we nog niet geweest. En Antarctica...“

Tine: “Dat trekt me niet zo, dat is verschrikkelijk duur. En ik met mijn twee kunstheupen...“

Rinus: “Maar ik vind het ook niet leuk om daarmee te wachten tot jij er niet meer bent.“

“En dat is allemaal begonnen“, zei ik, “toen jullie met 180 gulden op zak naar Oostenrijk gingen.“

Rinus: “Maar wij doen nog steeds niet duur.“

Tine: “Ik heb geen tuinman, ik heb geen werkster.“

Rinus: “We leven op reis nauwelijks duurder dan thuis.“

Tine: “We reizen heel dicht bij de mensen.“

Rinus: “We weten 's morgens nooit waar we 's avonds zullen slapen.“

Tine: “Liever bed-and-breakfast dan een vijfsterrenhotel.“

Rinus: “Wij zijn gek op woestijnen.“

Tine: “Wij zijn gek op waar niks meer is. Hebben wij een boekje van Namibië?“

Rinus: “Jazeker.“

Tine: “Die ene stam, daar wil ik zo graag heen.“ Rinus dook in de boekenkast, ze bedoelde het Kaoko-volk.

Zo gingen we kriskras over de wereld. En toen ik vroeg wat er naast reizen (en kinderen en kleinkinderen) nog méér was, gingen we kriskras door beeldende kunst en levende muziek. In een paar stappen van de kamermuziek van Sjostakovitsj naar de laatste cd van De Dijk.

“Prachtig“, zei Tine. “Prachtig mooi. Later is nu, dat kan helemaal niet, natuurlijk niet, maar zoals hij dat zingt, Huub van der Lubbe... het betékent iets!“

“Wat ouder' is een serie gesprekken met mensen die zeventig zijn.