“Behoud Goudstikkers kansloos'

Alleen als ze “onvervangbaar' of “onmisbaar' kan “publiek belang' de teruggave Goudstikker-kunst verhinderen.

Bankier Nout Wellink wist in 1998 Mondriaans Victory Boogie Woogie voor Nederland te behouden met de overwinst van De Nederlandsche Bank. Datzelfde jaar bleef het schilderij Paysage près d'Aix avec la tour César van Cézanne toch in Nederland door een actie van particulieren. Maar een eventuele actie om waardevolle schilderijen uit de Goudstikker-collectie voor Nederland te behouden lijkt kansloos.

De Restitutiecommissie heeft een door staatssecretaris Van der Laan (Cultuur) overgenomen advies uitgebracht om 202 kunstwerken terug te geven aan de erven-Goudstikker. Volgens de commissie gaat het weliswaar om “een groot aantal werken, waaronder kunsthistorisch zeer belangrijke“, maar het “publieke belang' staat de teruggave niet in de weg.

Dat publieke belang is in dit geval het behoud van het culturele erfgoed van Nederland. Sinds 1984 kent Nederland de Wet tot behoud van Cultuurbezit (WBC), die bepaalt dat kunstwerken met een grote betekenis in Nederland moeten blijven. Het gaat om kunstwerken die “onvervangbaar' of “onmisbaar' zijn - bijvoorbeeld doordat ze een symboolwaarde hebben voor de geschiedenis.

Het schilderij van Cézanne dat destijds dreigde te verdwijnen voldeed aan de voorwaarden. Het probleem was alleen dat staatssecretaris Nuis (Cultuur) de benodigde 15 miljoen gulden niet had en particuliere giften uitkomst moesten brengen. Inmiddels is er een Museaal Aankoopfonds, maar dat is niet alleen voor WBC-aankopen.

Bij de Goudstikker-collectie is de vraag naar de financiële en kunsthistorische waarde niet aan de orde gekomen. De Restitutiecommissie zegt dat in 1940, toen Jacques Goudstikker zijn werken verloor, nog geen sprake was van bescherming van cultuurbezit. De commissie vindt dat die bescherming niet nu met terugwerkende kracht een rol mag spelen. Bovedien, zei voorzitter B. Asscher “alle werken die Goudstikker op dat moment had, waren gekocht in het buitenland; ze waren dus geen Nederlands cultuurbezit.“