Moordenaar

Een studente geneeskunde doet onder pseudoniem verslag van haar stage. Vandaag over een woedende dementerende vrouw.

'Een gynaecoloog in ruste?', vraagt dr. Engel met volle mond. De verpleegkundige knikt. 'Zijn vrouw is dementerend, maar nu zó wantrouwig, dat de situatie onhoudbaar wordt. Gaat u bij hen langs?'

Even later bellen we aan bij een statig herenhuis. Een oudere heer doet open. Hij draagt een geperste, grijze broek en een groene spencer. Zijn ogen staan vermoeid.

'Anton Vermeer. Aangenaam. U bent psychiater?', lacht hij opgelucht. 'Altijd prettig een collega te zien!' Behoedzaam sluit hij de deur naar de kamer. 'Dit speelt al twee jaar. Tot nu toe redden we het wel. Ik kook, was, verzorg haar. Ze heeft vaak woedeaanvallen, maar als ik alles elke dag exact op dezelfde manier doe, gaat het wel. De juiste rituelen, hè.' Hij werpt een nerveuze blik achterom. 'Maar gisteren viel ze van de trap en nu...'

De kamerdeur zwaait open. Met verwilderde ogen staart zijn vrouw ons aan. Keurig gekamd haar, paarse zijden rok en bijpassende blouse. Alleen de panty ontbreekt. 'Anton', sist ze, 'wat vertel je ze nú weer voor leugens?' Dan richt ze zich tot ons, en haar toon verandert abrupt: 'Komt u toch binnen. Mijn man zet een kopje thee. Dan leg ik u de situatie uit.'

Als haar man in de keuken is verdwenen, fluistert ze: 'Ik wéét wat de mensen zeggen. En ja, ik vergeet af en toe wat. Maar u móét me geloven. Dit weet ik nog precies. Ik stond boven aan de trap, hij stond achter me en dúwde me plotseling.' Ze trekt haar rok een stukje op en laat ons de blauwe plekken zien. 'Tegen jullie speelt hij de zorgzame echtgenoot, maar ondertussen...', ze buigt iets voorover, 'probeert hij me te vermóórden!'

Meneer Vermeer komt binnen en schudt zijn hoofd. 'Schat. Praat nu geen onzin. Je wéét dat ik beneden was toen jij...' Nu springt ze op, priemt met een vinger in zijn richting: 'Geduwd! Je hebt me geduwd!'

Het lukt dr. Engel haar te sussen. Hij vraagt haar naar dag, jaartal, geboortedatum. Ze aarzelt, kijkt even naar buiten. 'Winter, dat is het.' Ze draait zich om naar haar man. 'We trouwden in de winter. Wilde je me dan in de wínter vermoorden?' Een halfuur later is Engels' vragenlijst nog steeds onbeantwoord.

Als we weer bij de deur staan, zegt Vermeer. 'Op medisch vlak... Ik ben maar een eenvoudige gynaecoloog, dit gaat mijn expertise te boven.' Terwijl hij onze jassen aangeeft, kijk ik de gang rond. Tegen de verwarming staat een traphekje. De middelste spijlen zijn afgebroken.

'Het líéfst verzorg ik haar zelf', zucht hij, 'maar ik hou dit écht niet meer vol. Al zou u haar maar een páár dagen kunnen opnemen...' Er klinkt gestamp uit de kamer. 'Anton!' Snel geeft dr. Engel hem een hand 'Ik ga een plekje zoeken. Ik bel u vanmiddag.' En we lopen de deur uit.

'Wantrouwen is een bekend probleem bij dementerenden', legt Engel op de fiets uit. 'De gaten in hun geheugen vullen ze vaak op met complottheorieën.'

'Aan de andere kant', zeg ik, 'als dementerende ben je eigenlijk vogelvrij.' Hij fronst en ik vervolg: 'Stel dat ú twee jaar lang zo'n mens moest verzorgen en continu voor moordenaar uitgemaakt werd: zou u niet de neiging hebben haar stiekem een duwtje te geven?' Ik negeer zijn blik en besluit: 'Hij weet toch ook dat níémand haar gelooft?'