Debat gehinderd door autisme

Het spook van politieke correctheid inzake de vrijheid van meningsuiting waart opnieuw door Nederland, zoals blijkt uit de discussie rond de spotprenten van Mohammed. De stem van het monster klinkt verleidelijk: alles wat ik denk moet ik mogen tekenen, ongeacht de beoogde ontvangers en hun omstandigheden.

Hiermee valt men terug op een niveau dat de mens onwaardig is. Al van jongs af zijn peuters in staat zich te verplaatsen in de emoties, verwachtingen, gedachten en vermoedelijke reacties van anderen en daarop hun gedrag af te stemmen. Zelfs primaten zoals chimpansees en bonobo's bezitten een beginnende sociale bekwaamheid op dit gebied.

In de discussie blijkt weinig of niets van deze vaardigheid. Het lijkt wel op een vorm van autisme. De politiek doet daar dapper aan mee, getuige het optreden van staatssecretaris Nicolaï gisteravond in Nova, altijd weer in het voetspoor van Hirsi Ali. Zij verdedigen de meningsvrijheid als een absoluut recht: 'we geven daar niets van op'.

Hiermee ziet men over het hoofd dat er aan de meningsvrijheid maatschappelijke grenzen vastzitten. De essentie daarvan is geformuleerd in artikel 9 en 10 van de Europese Conventie van de Mensenrechten van 1950.

Artikel 9 over het recht op godsdienstvrijheid impliceert het tonen van respect voor de religieuze gevoelens van anderen. Negatief gezien verbiedt het de boosaardige schending van de geest van tolerantie. Juist deze tolerantie moet worden gezien als de basis van een democratie die recht doet aan het pluralisme van religieuze en niet-religieuze levensbeschouwingen. Artikel 10 handelt over het recht op de vrijheid van meningsuiting, alsook over de grenzen die daarbij gelden. Wanneer zaken zoals nodeloze kwetsing van gelovigen in het geding zijn, mag de wetgever of de rechter ingrijpen. De reden die daarbij gegeven wordt is dat de uitoefening van dit recht verplichtingen en verantwoordelijkheden met zich meebrengt.

Deze wetsartikelen zouden een leidraad moeten zijn voor het dagelijks gedrag. We moeten niet steeds aan de rechter als eerste de vraag voorleggen of de grenzen aan de vrijheid van meningsuiting zijn bereikt of overschreden, we moeten die vraag allereerst aan onszelf voorleggen. De weg naar de rechter is een laatste gang die pas aan de orde is wanneer we het als samenleving zelf niet kunnen oplossen.

Het Europese Hof verbood in 1994 een aanstootgevende film over het christendom met dit argument. Hieruit valt te leren dat burgers niet alleen het recht op vrije meningsuiting mogen koesteren, maar ook dat ze zich dienen te kwijten van hun plichten en verantwoordelijkheden. Met andere woorden, niet alleen juridisch, maar ook maatschappelijk bestaat er geen absoluut recht op de vrijheid van meningsuiting.

Het wordt hoog tijd dat de politiek duidelijk maakt dat het individuele recht op meningsvrijheid geen absoluut, maar een begrensd recht is, begrensd door plichten en verantwoordelijkheden. De burgers zijn zelf de dragers van dit recht en ook van de begrenzing ervan. Dat moet de politiek aan de samenleving duidelijk maken.

Hans van der Ven is hoogleraar Religie en Mensenrechten aan de Radboud Universiteit Nijmegen.