De spotprentenoorlog: één grote escalatie

De rel over de spotprenten van de profeet Mohammed begon bij een schrijver van kinderboeken die zijn jonge lezers met de islam wilde laten kennismaken. Daarna liep alles uit de hand.

De man die, zonder dat te willen, aan de basis stond van het tumult over de spotprenten van de profeet Mohammed, de Deense kinderboekenschrijver Kåre Bluitgen, wilde kinderen kennis laten maken met de islam. Hij slaagde er niet in voor zijn boek een illustrator te vinden, omdat veel tekenaars Mohammed niet wilden afbeelden, wetend dat dit op bezwaren zou stuiten bij moslims. Naar aanleiding hiervan besloot de conservatieve Jyllands-Posten, de grootste krant van het land - die bovendien wel van een relletje houdt - de grenzen van de vrijheid van meningsuiting eens op te zoeken. De krant vroeg veertig cartoonisten om een tekening van de profeet. Twaalf van hen gingen daarop in. Op 30 september publiceerde de Jyllands-Posten de cartoons, waarvan de meeste de moslims en Mohammed afschilderen als terroristen. Daarna kreeg de affaire een eigen dynamiek.

Deense moslimorganisaties zijn woedend. Hoofdredacteur Carsten Juste meldt op 12 oktober dat hij en de redactie worden bedreigd.

Op 14 oktober demonstreren duizenden moslims in Kopenhagen. Juste peinst er niet over de tekeningen terug te trekken of excuus aan te bieden. De chef van de culturele redactie noemt de publicatie een reactie op de zelfcensuur van kunstenaars die bang zijn voor de 'radicale islam'.

Elf ambassadeurs uit moslimlanden vragen de Deense premier Fogh Anders Rasmussen op 20 oktober om zich uit te spreken tegen de spotprenten. De premier wil zich niet met de zaak bemoeien. Het gaat over de vrijheid van meningsuiting, zegt hij, en die ligt verankerd in de democratie.

Op 25 oktober zegt Rasmussen dat hij wetgeving voorbereidt om strenger te kunnen optreden tegen mensen die bedreigingen uiten tegenover degenen die gebruik maken van de vrijheid van meningsuiting.

Op 27 oktober dienen elf Deense moslimorganisaties een klacht in wegens blasfemie en rassendiscriminatie. Ze zoeken steun in het Midden-Oosten en sturen een delegatie naar Egypte en Libanon.

De Egyptische minister van Buitenlandse Zaken noemt op 14 november de anti-islam houding in Denemarken 'een schandaal'. Egypte neemt volgens hem de leiding in de diplomatieke poging om zulke beledigingen te voorkomen.

Begin december verschijnt het bericht dat de jeugdbeweging de radicale Jamaat-i-Islami in Pakistan een beloning uitlooft aan degenen die de schuldigen doodt.

De Arabische ministers van Buitenlandse Zaken veroordelen op 29 december de spotprenten die 'een aanslag vormen op de heiligheid van religies, de profeten en de verheven waarden van de islam'.

Op 8 januari zegt het Deense openbaar ministerie dat de kwestie van de cartoons niet tot een rechtszaak zullen leiden. Deense moslims besluiten een dag later de zaak aanhangig te maken bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg.

Het Noorse blad Magazinet publiceert op 10 januari de spotprenten. Twee dagen later wordt de hoofdredacteur bedreigd.

Op 21 januari roept de Internationale Unie van Islamitische Rechtsgeleerden in Kairo op tot een boycot van Deense producten.

Saoedi-Arabië trekt op 26 januari zijn ambassadeur terug uit Kopenhagen. Het Deense voedingsbedrijf Arla meldt dat zijn producten in een aantal islamitische landen worden geboycot.

Op 30 januari schrijft de hoofdredacteur van Jyllands-Posten dat de cartoons 'onmiskenbaar vele moslims hebben beledigd, waarvoor wij onze excuses aanbieden.' Premier Rasmussen houdt vol dat hij geen excuus kan aanbieden, maar zegt dat hij persoonlijk 'nooit Mohammed, Jezus of een welke religieuze figuur dan ook zou beschrijven op een manier die anderen kan beledigen'.

Op 1 februari eist de Franse krant France Soir op de voorpagina het recht op het karikaturiseren van God en publiceert alle gewraakte spotprenten. De Duitse krant Die Welt spreekt van een democratisch recht op blasfemie.

In het weekeinde nemen de protesten in moslimlanden tegen de spotprenten toe. In Syrië gaan de Deense en de Noorse ambassades en in Libanon een Deens consulaat in vlammen op. Bij demonstraties in Afghanistan en Somalië vallen doden.