Coulante aderlating

Volgens de normen van 2006 mankeert er veel aan de verkoop in de oorlog van de kunsthandel en schilderijen van de vooraanstaande joodse kunsthandelaar Jacques Goudstikker, maar in de historische context ligt het genuanceerder. Het besluit van staatssecretaris Van der Laan (Cultuur, D66) gisteren tot teruggave van 202 schilderijen aan de Amerikaanse erven Goudstikker op advies van de restitutiecommissie is buitengewoon coulant en ligt minder voor de hand dan andere recente compensaties aan joden voor verliezen tijdens de oorlog.

Door een ongelukkige val in een scheepsruim was Goudstikker in mei 1940 tijdens de vlucht uit Nederland overleden. Het beherende personeel verkocht de kunsthandel aan de Duitse zakenman Alois Miedl en de schilderijen voor het indertijd aanzienlijke bedrag van twee miljoen gulden aan de Duitse veldmaarschalk Göring. Als meerderheidsaandeelhouder had de weduwe Goudstikker daar vanuit het buitenland geen toestemming voor gegeven. Er was niettemin flink betaald, de Nederlandse overheid beschouwde de schilderijen als Duits bezit en nam ze na de oorlog ter compensatie van de enorme schade die de Nederlandse staat door de Duitse bezetting had geleden.

Pas in 1952 troffen de weduwe Goudstikker en haar advocate na langdurige onderhandelingen een schikking met de Nederlandse overheid, waarbij de transacties met Miedl ongedaan werden gemaakt en zij een deel van het geld en eigendommen terugkreeg. Ze deed geen afstand van eventuele rechten op de schilderijen die aan Göring waren verkocht, maar ging niet in beroep bij de Raad van Rechtsherstel om ze terug te eisen. Schilderijen waren na de oorlog veel minder waard dan nu en uit correspondentie blijkt dat ze in Amerika de voorkeur gaf aan contant geld.

De schikking en het afzien van beroep zijn voor toenmalig staatssecretaris Nuis (D66) en later voor het Gerechtshof in Den Haag doorslaggevend geweest om de schilderijencollecties niet terug te geven. De uit Duitsland afkomstige weduwe van de zoon van Goudstikker had eind jaren negentig teruggave geëist. Maar juridische verjaring heeft een functie. Minister Donner (Justitie, CDA) heeft zich terecht zorgen gemaakt over de precedentwerking voor andere gevallen. De eis om een kunsthandel in de situatie van voor de oorlog te herstellen, maakte indertijd minder indruk dan nu. Nederland was leeggeplunderd. Veel Nederlanders werden tijdens de oorlog tot onredelijke transacties gedwongen en veel bedrijven zijn vernietigd, teloorgegaan of leeggeroofd. Dankzij goede advocaten wist de weduwe Goudstikker enig rechtsherstel te bereiken.

Dat rechtsherstel bleef uit voor veel joden die na deportatie alles verloren hadden. Als vervolgde groep zijn zij extra benadeeld. De overheid heeft er mede op initiatief van Nuis goed aan gedaan de zwaarst getroffenen na bestudering door een restitutiecommissie schilderijen terug te geven. Sommige joodse families hebben de teruggegeven werken vervolgens gul in bruikleen afgestaan aan musea. De grotendeels toegewezen claim van de erven Goudstikker is beslist niet het zwaarste geval. Veel joden die teruggave vroegen, hadden niets ontvangen. De erven zouden er goed aan doen de Nederlandse musea na deze ruimhartige aderlating van publieke kunstwerken door middel van bruikleen met dezelfde coulance te behandelen.