Besluit teruggave 'Goudstikkers' is juridische spagaat

Staatssecretaris Van der Laan volgt wel het advies van de Restitutiecommissie, maar niet de argumentatie.

Staatssecretaris Van der Laan (Cultuur, D66) is beland in een lastige spagaat bij de toewijzing van het grootste deel van de Goudstikker-claim. In feite zet zij een rechterlijke einduitspraak uit 1999 dat de zaak afgelopen was opzij. De gevolgen zijn potentieel niet mis. Misschien niet zozeer voor de oorlogskunst in het bezit van het Rijk, maar het restitutiebeleid heeft ook voorbeeldwerking bij andere openbare collecties en claims uit andere perioden, zoals de koloniale. Op dat gebied sluimeren nog veel claims.

'Je moet het recht het recht laten. Je haalt meer overhoop dan je oplost als iedere generatie een afgesloten zaak kan overdoen.' Dat zei staatssecretaris Aad Nuis (Cultuur, D66) in 1998, toen hij werd geconfronteerd met de claim van de schoondochter van Goudstikker. Toch wordt deze claim nu voor het overgrote deel alsnog toegewezen door zijn opvolgster Van der Laan. Het verschil tussen de twee zit hem in de - kamerbreed gesteunde - beslissing van staatssecretaris Van der Ploeg (Cultuur, PvdA) in 2001 om niet langer 'een puur juridische maar een beleidsmatiger benadering van het restitutievraagstuk' te kiezen. Een 'moreel-beleidsmatige benadering' noemt Van der Laan het nu.

Het bleef echter een formidabel struikelblok. Het kabinet heeft steeds gezegd dat afgedane rechtsherstelzaken van na de oorlog niet kunnen worden overgedaan. Het gerechtshof Den Haag besliste in 1999 dat dit opging voor de Goudstikker-claim. Van der Laan zegt dat de claim om die reden buiten het morele restitutiebeleid valt. Maar daarmee trekt zij het kleed weg onder het advies van de Restitutiecommissie dat juist is gebaseerd op de stelling dat de hoofdmoot van de claim al die jaren is opengebleven.

Niet toewijzen is dan het enige wat er op zit. Toch wijst de bewindsvrouw deze 'bijzondere' claim toe op morele gronden. Die zijn: het onvrijwillige karakter van het bezitsverlies in de oorlog en de afwikkeling van de zaak erna. De onvrijwilligheid was echter een elementaire voorwaarde om over rechtsherstel te kunnen spreken en is ook door Nuis nooit ontkend. Het tweede argument, de naoorlogse afwikkeling, komt neer op het overdoen van een afgesloten procedure, wat het kabinet juist altijd heeft afgewezen.

De Restitutiecommissie had de zaak mooi gesplitst. Een deel van de claim - schilderijen die werden overgenomen door de collaborateur Miedl - valt onder een formele schikking ('dading') in het kader van rechtsherstel uit 1952 door de weduwe van Goudstikker, Desiré Saher-von Halban. Daar was zij met reden bitter over, maar daar valt nu niets meer aan te doen.

Desiré had er echter met zoveel woorden van afgezien rechtsherstel te vragen over de veel grotere collectie die werd verkocht aan Göring. Deze bleef dus buiten de dading. De vraag is alleen wat dat 'afzien van' betekent. Feitelijk is het duidelijk: de Staat hield de gerecupereerde schilderijen en de weduwe de ontvangen kooppenningen (althans het restant).

De Restitutiecommissie zegt nu echter dat dit niet betekent dat Desiré ook afstand deed van haar eigendomsrechten.

Maar het Gerechtshof den Haag maakte dat onderscheid in 1999 niet. De zaak was hoe dan ook verjaard. Dat gaat echter niet automatisch, maar alleen als de belanghebbende - in dit geval de Staat - er een beroep op doet. Er kán dus van worden afgezien. Toch omvatte de uitspraak van het hof meer dan de 'voornamelijk formele gronden', die de commissie er van maakt. Het hof zei dat de beslissing af te zien van de Göring-doeken 'welbewust en weloverwogen' werd gemaakt. Desi von Saher is er altijd bitter over gebleven maar er nooit op teruggekomen. Ook haar zoon Edo niet, maar pas haar schoondochter Marei na hun beider overlijden.

De Restitutiecommissie gaat daar niet op in, hoewel dat toch zou passen bij de alternatieve geschillenbeslechting die nu net voor de oorlogskunst is aanbevolen om de 'valbijl' van de verjaring te verzachten. Schoondochter Marei von Saher zei bij het indienen van de claim dat zij de schilderijen niet uit het museum wilde halen, maar dacht aan een speciaal eerbetoon aan Goudstikker en een vorm van compensatie. Dat laatste is alleen al reëel vanwege de advocatenkosten. Maar dat is iets anders dan het categorisch toewijzen van een claim die onmiskenbaar publiek belang treft. De commissie is daar snel klaar mee. De maatstaf is of de stukken 'onvervangbaar of onmisbaar' zijn in de zin van de Wet bescherming cultuurbezit. Deze is echter alleen van toepassing op particulieren en niet op het Rijk, dat geacht wordt zelf op zijn kunstbezit te letten. De commissie maakt zich ervan af met een formeel-juridische dooddoener, die zich moeilijk laat verenigen met de 'moreel-beleidsmatige' maatstaf van Van der Laan.