Affaire-Goudstikker is beschamend

Directeuren van musea moeten actief op zoek gaan naar schilderijen die afkomstig zijn van burgers die door het nazi-geweld van hun bezittingen zijn beroofd, betoogt Arnold Heertje.

De door de nazi's gepleegde massale moord op de joden was niet alleen moord. Het was ook een roofmoord. In het voetspoor van de nazi's hebben velen aan de roof sinds 1933 in Duitsland en elders meegedaan.

Nederland is niet buiten schot gebleven. Van de buren die aan joden toebehorende tafels en stoelen hebben gestolen, tot regeringen die zich aan kunst hebben vergrepen.

Wie de handelwijze van Nederlandse regeringen, ambtenaren, directeuren van musea en andere betrokkenen tot op de dag van vandaag aan de hand van documenten volgt, gelooft zijn ogen niet.

Zelfs nu de Goudstikker-collectie aan de erven wordt teruggeven, een handeling die de onrechtmatige verkrijging door de staat na de oorlog corrigeert, erkent minister Donner het onrecht niet en voert hij ethisch-morele overwegingen aan. Staatssecretaris Medy van der Laan denkt dat zij namens de staat eigenaar was van de collectie, terwijl het om beheer van geroofde goederen ging. Sommigen, zoals Rudi Fuchs, wagen het zelfs te spreken over financiële motieven van de erfgenamen, alsof het niet gaat om het rechtzetten van onrecht dat ouders en grootouders is aangedaan. Als premier verzette Wim Kok samen met Hans Dijkstal zich in 1998 hevig tegen het maken van een gebaar naar de erven-Goudstikker, waar Els Borst, Hans van Mierlo en Gerrit Zalm op aandrongen. Rick van der Ploeg zette als staatssecretaris in het tweede kabinet-Kok als eerste de wissel om, tegen de zin van de toenmalige directeur-generaal van OCW, Jan Riezenkamp en Wim Kok in.

Wie nu kennisneemt van de reacties van de directeuren van het Mauritshuis in Den Haag, van het Rijksmuseum Twenthe in Enschede, het Bonnefantenmuseum in Maastricht, Museum de Lakenhal in Leiden, het Frans Hals Museum in Haarlem en het Museum Boijmans-van Beuningen in Rotterdam, twijfelt wederom aan zijn ogen. Men spreekt over Nederlands cultuurbezit, alsof niet jarenlang ten onrechte is geprofiteerd van joods cultureel erfgoed. Behalve directeur Ronald de Leeuw van het Rijksmuseum, die er kennelijk anders over denkt dan zijn voorganger Henk van Os, klagen de andere beheerders steen en been over de noodzaak de geroofde schilderijen te moeten afstaan aan de rechtmatige eigenaren. Zo was het bij de Gutman-collectie, zo is het nu bij de Goudstikker-collectie. Het is voor Nederland een beschamende vertoning. Met strakke gezichten nemen alle betrokkenen deel aan de jaarlijkse herdenkingen van oorlogsslachtoffers. Daarna gaan zij over tot de orde van de dag, waarvan de professionele essentie is het voortzetten van de nazi-roof van joodse kunstschatten.

Het wordt tijd dat schoon schip wordt gemaakt. Directeuren van musea behoren actief op zoek te gaan naar schilderijen, die afkomstig zijn van burgers, die door het nazi-geweld van hun bezittingen zijn beroofd. Zij behoren met een positieve instelling mee te werken aan het herstel van recht.

Het heeft geen zin kiekeboe te spelen, want alle erfgenamen zijn wereldwijd vastbesloten het hun voorouders aangedane onrecht te herstellen. Zij hebben daar de frustratie voor over die het gevecht met zich brengt, maar ook de gelden die nodig zijn. Waarom zijn al deze juridische processen nodig, vraag ik mij af. Terecht merkte de negentigjarige Maria Altmann dezer dagen op dat de teruggave van vijf tekeningen van Gustav Klimt, zeventig jaar geleden door de nazi's geroofd van haar oom, morele winst en geen verlies voor Oostenrijk is.

Onder leiding van Riezenkamp is de gemeente Amsterdam al jaren bezig miljoenen te investeren om de Malevitsj-collectie te behouden. Wie kennisneemt van het boek van Lien Heyting over de zaak, kent de uitkomst. De collectie moet terug naar de rechtmatige erfgenamen. De Amsterdamse advocaten verdedigen een kwade zaak.

Met de Koenigs-collectie is het niet anders. In zijn boek over de profiteur van de nazi-periode in onze geschiedenis, de Rotterdammer Van Beuningen, wringt Harry van Wijnen zich in allerlei bochten, om de rechtmatige aanspraken van de erven op de collectie te verdoezelen.

Hij miskent de noodtoestand waarin Koenigs verkeerde door zijn bankrelatie met een joodse bank, typeert de voor de nazi's vluchtende joden hardnekkig als emigranten en schildert de met de nazi's handelende Van Beuningen af als niet meer dan een sluwe Rotterdamse koopman. Staatssecretaris Medy van der Laan meent ten onrechte dat haar voorlopige beslissing de collectie te houden een privaatrechtelijke aangelegenheid is. Zij treedt op in de publieke sfeer, is verantwoording verschuldigd jegens de Tweede Kamer en haar handelen heeft derhalve een publiekrechtelijke kant. Ook in dit geval leren de feiten dat sprake is van een onvrijwillige transactie, samenhangend met het optreden van de nazi's in de eerste plaats jegens de joden, maar vervolgens ook - en uiteraard - jegens alle andere burgers. Hetzelfde geldt voor de collecties-Mannheimer, Lanz en Nardus.

Nederland is het stadium van gidsland voorbij. Internationaal hebben wij de status van een fatsoenlijk land, dat opkomt voor morele waarden en recht verloren. Het thans voortvarend teruggeven van alle ten onrechte door de overheden verworven kunstschatten aan de rechtmatige erfgenamen, is de koninklijke weg om ons beschadigd imago enigszins te herstellen.

Prof.dr. A. Heertje is oud-hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam.