Europa's politici voor dilemma in spotprentencrisis

Hoe valt in de huidige spotprentencrisis te voorkomen dat de botsing der beschavingen straks op straat wordt uitgevochten? Politici lopen op eieren: wie een grondrecht van een 'maar' voorziet, beperkt het.

Het handenwringen in de Europese hoofdsteden is bijna hoorbaar. Politieke leiders worstelen met twee impulsen die moeilijk met elkaar lijken samen te gaan.

Moeten ze op de bres staan voor een centrale waarde van hun democratieën, en de persvrijheid verdedigen tegen intimidatie, zelf-censuur en religieuze dogma's? Of zijn de verhoudingen met moslims in binnen- en buitenland zo explosief, dat het nu belangrijker is te zorgen dat de zaak niet verder uit de hand loopt, en moeten de politici in de eerste plaats voorkomen dat de veel besproken 'botsing der beschavingen' op straat wordt uitgevochten?

De meeste politici proberen uit alle macht die twee gewichtige verantwoordelijkheden toch maar met elkaar te combineren. Het leidt vooral tot verklaringen waarin het woord 'maar' centraal staat. 'Ik begrijp de gevoelens van verontwaardiging, frustratie en verdriet van de moslim-gemeenschappen', aldus Euro-commissaris Franco Frattini, verantwoordelijk voor integratie én voor het respect voor fundamentele rechten. 'Maar één van de basisbeginselen van Europa is de vrijheid van meningsuiting. Zélf vind ik de publicatie van de cartoons nogal ondoordacht. Maar ik wil niet de reacties tegen Denemarken rechtvaardigen.'

President Chirac noemde de vrijheid van meningsuiting 'een van de fundamenten van de Republiek' - maar iedereen moet wel zijn verantwoordelijkheid nemen en 'alles vermijden wat de overtuigingen van een ander kan kwetsen'. Premier Balkenende veroordeelde de heftige reacties op de tekeningen. Maar, zei hij ook, men moet zich wel realiseren wat 'beelden en ideeën bij anderen kunnen veroorzaken'.

Aan dat besef, kan men sinds de afgelopen week gerust zeggen, ontbreekt het niet meer. Wie schrijft, tekent of opinieert over de islam, kan zó een rel veroorzaken. En in dat sterk verbreide besef zit hem juist het probleem. In Europese samenlevingen met een grote of groeiende moslim-minderheid, leeft de vrees dat achter de vraag om respect eigenlijk iets anders schuilgaat: de dreiging dat iedereen zich moet voegen naar de normen van de islam.

Een politicus die aan een vrijheid of een grondrecht een 'maar' toevoegt, nuanceert en sust niet alleen. In de ogen van ongeruste burgers clausuleert en beperkt hij die centrale principes. En dus hebben kranten in diverse landen besloten de omstreden tekeningen juíst te plaatsen. Want de politieke leiders mogen in de eerste plaats denken aan de openbare orde en het vreedzaam samenleven van bevolkingsgroepen, is de gedachte, de media hebben hun eigen verantwoordelijkheden.

De officiële reacties uit de VS kunnen op het eerste gezicht verbazen. Washington lijkt de kant te kiezen van de gekwetste moslims. Een woordvoeder van Buitenlandse Zaken zei over de tekeningen: 'We vinden ze beledigend en kunnen goed begrijpen dat moslims verontwaardigd zijn.' Hij vergeleek de prenten met antisemitische en anti-christelijke tekeningen.

Deze opstelling is niet alleen te verklaren als poging toenadering te zoeken tot de moslims in de wereld. Er is ook een binnenlandse grond voor. In de Amerikaanse multiculturele samenleving is het vermijden van confrontaties op cultureel, etnisch en religieus vlak een nog altijd breed gerespecteerd taboe. De gevaren van oplaaiende spanningen tussen bevolkingsgroepen, vooral op raciaal gebied, liggen er nog vers in het geheugen. Daar komt bij dat in Amerika weinig mensen vrezen dat ze zich moeten schikken naar de normen van de islam. Het begrip voor de gevoelens van de moslims zal daarom weinig burgers verontrusten.

Dat de ophef inmiddels over veel meer gaat dan de gewraakte tekeningen, hoeft de Westerse regeringen op korte termijn niet slecht uit te komen. Het brandpunt van de mondiale aandacht heeft zich verlegd naar de brandende ambassades in Damascus en Beiroet, en naar de vraag welke rol Syrië daarbij speelde.

Het leidt de aandacht even af, maar de dilemma's van de Europese politici zijn daarmee niet opgelost. De premiers Erdogan en Zapatero, van Turkije en Spanje, schrijven vandaag in een gezamenlijk stuk op de opiniepagina van de International Herald Tribune: 'Als we deze crisis niet onmiddellijk kunnen bezweren, zullen we allemaal verliezers zijn.'