“Wie, heeren, leest er Engelsch?'

Het Engels is pas sinds 1968 de belangrijkste vreemde taal in het Nederlandse onderwijs, blijkt uit het proefschrift van lerarenopleider Frans Wilhelm.

We schrijven het jaar 1776. Een curator van de universiteit van Utrecht wordt toestemming gevraagd om een serie Engelstalige boeken aan te schaffen voor de universiteitsbibliotheek. De man roept uit: Indien het werk in 't Latijn of ten minste in 't Fransch ware, dat door velen verstaan wordt, zoude ik er gaarne in toestemmen, maar wie, heeren, leest er Engelsch?“ Dit voorval staat vermeld in het vuistdikke proefschrift van Frans Wilhelm (1945), getiteld “English in the Netherlands, a history of foreign language teaching 1800 -1920', waarop hij eind vorig jaar aan de Radboud Universiteit Nijmegen promoveerde.

Zo gewoon als het schoolvak Engels nu is voor jongeren, is het nog maar kort, vertelt Wilhelm op zijn werkplek in Nijmegen, het Instituut voor Lerarenopleiding (ILS). Tot 1968 werden in het middelbaar onderwijs meer uren ingeruimd voor Frans dan voor Engels. In 1945 werden de geallieerde bevrijders nog vooral met handen- en voetenwerk verwelkomd. Nog verder terug, rond 1800, was Engels voor bijna alle Nederlanders een volledig onbekende taal. Toen was het - in de hogere kringen - al Frans wat de klok sloeg.“

De kentering kwam na 1800. Waren het voor die tijd vooral handelaren en geleerden die Engels leerden, na 1800 gingen ook jongeren - hoofdzakelijk jongens - dat doen. Dankzij de industriële revolutie groeide het economisch belang van Engeland in die tijd sterk. Maar ook in cultureel opzicht nam de belangstelling toe, vertelt Wilhelm. Men wilde de Engelse literatuur kunnen lezen. Het aantal mensen dat Engels ging leren groeide, er kwamen meer docenten en meer plaatsen waar je Engels kon leren en er kwam een ware explosie aan leerboeken op gang.“

Verschenen er tussen 1500 en 1800 slechts zo'n 40 leerboeken Engels in Nederland (blijkt uit onderzoek van Pieter Loonen, 1991), tussen 1800 en 1920 waren dat er maar liefst ruim 750. Sommige daarvan gingen lang mee. Wilhelm: Ik heb op de middelbare school nog les gehad uit “Brittannia' van H.G. de Maar, dat in 1918 voor het eerst verscheen.“ In 1805 kwam ook voor het eerst een leerboek uit dat wat eenvoudiger van opzet was. Want, schrijft auteur Lehman in zijn voorwoord: “Rules that are too long are boring'. Uit het voorwoord blijkt dat hij vereenvoudiging vooral nodig vond om tegemoet te komen aan het kennelijk snel afgeleide vrouwenbrein.

Wilhelm heeft alle leerboeken Engels die verschenen in de periode 1800 - 1920 chronologisch opgenomen in zijn boek. Verder heeft hij onderzocht hoe het onderwijs in de Engelse taal er in deze periode uitzag. Wat je ziet is een “swing of the pendulum'“, vertelt hij. In wezen was de tijd vóór 1800 vergelijkbaar met de huidige trends in het onderwijs. Ook toen lag de nadruk op communicatie. Improviseren mocht, er werden dialoogjes geoefend.“

Daarmee houdt de vergelijking met de klas van 2006 op, want vóór 1800 was onderwijs een aangelegenheid voor de elite: De kinderen van de rijken kregen vaak thuis les in Engelse conversatie, veelal van een native speaker. Dat waren bijvoorbeeld Engelsen en Schotten die hier studeerden of werkten, of die vanwege hun Presbyteriaanse geloofsovertuiging naar het tolerante Nederland waren gevlucht.“

Rond 1800 is er een didactische omslag: de grammatica-vertaal methode komt op. Wilhelm: De nadruk verschuift van “spelen met de taal' naar correctheid en systematiek, naar deductief grammatica-onderwijs.“ Deductief wil zeggen: eerst de regels leren en dan pas toepassen. Dat past in het tijdsgewricht: de eerste onderwijswetten werden ingevoerd, het begin van het klassikaal onderwijs. Het lesgeven aan groepen vraagt nu eenmaal een andere didactiek dan privéles. In de klas van 1806 zien we een klein groepje leerlingen dat vooral veel grammaticaregels van buiten moet leren. Alles draait om het aanleren van correct taalgebruik. Dus worden er eindeloos veel grammaticale oefeningen gemaakt en zinnen vertaald.“

Overigens hadden de moderne vreemde talen in die tijd weinig aanzien, weet Wilhelm: Het werd beschouwd als een algemene vaardigheid voor de opgeleide burger, gelijk schermen en paardrijden.“ Dat verandert na de kennismaking met de Engelse literatuur en het grotere prestige van de taalkunde. In 1863 wordt Engels verplicht op de HBS, in 1876 op het gymnasium. Maar het duurt nog tot 1921 voor het mogelijk is om in Nederland een graad te halen in de Engelse Taal- en Letterkunde.

In de klas van 1906, als Engels een examenvak geworden is, ligt de nadruk nog steeds op grammatica en vertalen, maar heeft de literatuur een belangrijkere plaats ingenomen. Of die klas wel eens naar een voorstelling van Hamlet zal zijn gegaan, durft Wilhelm niet te zeggen. Misschien wel als er een Reformist voor de klas stond, want dan zag de les er heel anders uit.

De van oorsprong Duitse Reformbeweging van eind negentiende eeuw was namelijk de enige beweging die destijds tegen de stroom in roeide, met een pleidooi voor meer mondeling en alledaags taalgebruik, het lezen van teksten en inductief grammaticaonderwijs (dat is: vanuit het gebruik de regels leren). De Reformist Grasé, gebruikte het fonetisch schrift in de klas, met zijn boek “Oefeningen in de Engelsche Taal' (1895). Wilhelm: Je moet bedenken dat mensen in die tijd nooit vreemde talen hoorden spreken, zoals wij nu dagelijks doen. Hoe moet je dan de uitspraak oefenen? Een groot probleem bij het Engels, dat zo anders gesproken wordt dan geschreven. Daarom was de vinding van het fonetisch schrift een uitkomst. De docent zei een zin hardop, de leerlingen zeiden hem na en schreven de zin fonetisch op. Daarmee konden de leerlingen voor het eerst thuis oefenen.“

Hoe de klas van 2106 eruit zal zien is giswerk. Wilhelm: We zien het belang van Engels nog steeds toenemen. Op de basisscholen wordt Engels gegeven, tweetalig voortgezet onderwijs neemt een vlucht. Of Engels de wereldtaal blijft? Misschien krijgt de klas van 2106 wel les in het Chinees.“

F.A. Wilhelm, English in the Netherlands, Gopher Publishers, ISBN 90-5179-263-8