Waarden hoeven we niet te delen. De toekomst wel.

Er is helemaal geen waardencrisis in Nederland, en daarom hoeven we ook geen culturele oorlog te voeren om onze kernwaarden te verdedigen. Belangrijker dan gedeelde waarden is een gedeelde verantwoordelijkheid, als volwaardige burgers. Onze energie moet gaan zitten in het proberen aan elkaar te wennen.

Het was openhartig bedoeld, en het klonk als een noodkreet. Een jonge blanke Rotterdammer voorin de zaal beklaagde zich onlangs bij een multicultureel debatje over het feit dat allochtonen, moslims dus, niet mengen. Altijd maar die sociale controle, altijd die broers, en tantes. Lastig. Want: “Ik zou toch verliefd kunnen worden op een Marokkaans meisje?“

En hoe moest dat dan?

Het bleef even stil in de zaal. Was hier de persoonlijke kern van het multiculturele drama opeens in zicht? Ging het eigenlijk helemaal niet om zoiets hoogdravends als de Verlichting, of de moderniteit, maar heel simpel om een dagelijkse praktijk: verliefd worden? Nee, de man zei niet dat hij dat wilde, per se, op een Marokkaanse, maar je weet nooit. Hij wilde de mógelijkheid openhouden.

Maar waarom was die mogelijkheid er nu dan niet? Er wonen toch voldoende Marokkaanse meisjes in Rotterdam? Ja, maar toch voelde deze autochtone man zich beknot in zijn vrijheid, in het repertoire aan meisjes met wie hij in contact kon komen. Omdat deze allochtonen niet mengen. Ze gaven hem met andere woorden de káns niet eens om verliefd op hen te worden.

Nu heeft Rotterdam net een code opgesteld met publieke (en deels private) gedragsregels die vooral mikken op moslims en andere niet-westerse allochtonen. De code roept burgers op om Nederlands te spreken op straat, “respect' te hebben voor homoseksualiteit, ook in hun eigen gezin, en afscheid te nemen van verplichte maagdelijkheid voor meisjes. Ter bevordering van het mengen, had er misschien dus nog iets in gemoeten als: wij hebben respect voor Rotterdamse jongens die verliefd willen worden op onze dochters.

Of niet? In hoeverre is de overheid er eigenlijk om te regelen hoe wij over zaken denken? Is het college van burgemeesters en wethouders er om met burgers “af te spreken' waar ze “respect' voor moeten opbrengen en waar ze al dan niet aanstoot aan mogen nemen?

Terzijde: als een college zoiets wil regelen om probleemgedrag te elimineren, laat het dan man en paard noemen en niet doen alsof het gaat om “alle Rotterdammers', of zelfs maar om alle allochtone inwoners van die stad. Als we dan gaan discrimineren, dat wil zeggen onderscheid aanbrengen, laten we het dan ook echt doen: Surinamers willen niet op één hoop gegooid worden met Antillianen of Kaapverdianen, en andersom, zomin als Turken en Marokkanen dat willen, of moslims die net rechten zijn gaan studeren met een bende straatschoffies.

Minister van Integratie Rita Verdonk, die het idee voor een nationale code naar Rotterdams model aanvankelijk enthousiast omarmde als een heel goed idee, onderstreept inmiddels dat het slechts gaat om een aanbeveling, niet om een wettelijke plicht; dat er toch ook zoveel positiefs gebeurt met integratie, en dat ze nu vooral wil laten zien dat ze ondanks haar imago van ijzeren Hein eigenlijk “een gezellige vrouw is“.

Dat verweer gaat te snel. De Rotterdamse code is inderdaad gelukkig geen wet. Maar een vage, van bovenaf opgelegde “afspraak' waarvan de naleving kennelijk op straat door burgers moet worden afgedwongen, is ook een probleem. En waarom willen we die? Zoals Verdonk het in een nogal relativerend opiniestuk in Trouw zegt: ,,Als mensen hun eigen, voor anderen onbegrijpelijke taal in het openbaar gebruiken, kunnen anderen zich buitengesloten voelen en dat kan leiden tot ergernis.“

Kan bij óns leiden tot ergernis --dat is kennelijk de kern. Daarmee is een volgende stap gezet weg van de formele norm voor inburgering (namelijk dat burgers zich aan de wet moeten houden), naar een heel andere norm: nieuwkomers moeten zich zo gedragen dat wij ons niet buitengesloten voelen. Opmerkelijk genoeg is de code zodoende zowel een uiting van ons nationaal-culturele onbehagen als een teken van onze toegenomen eenheid in opvattingen, en van de afnemende schroom om die aan anderen op te leggen.

Dat onbehagen ligt hier al jaren metersdik op straat, en is nu weer op scherp gesteld door de wereldwijd ontvlamde - en door Arabische landen aangewakkerde - kwestie met de Deense cartoons over Mohammed. Volgens een reeks critici, van progressieve cultuur-nationalisten tot conservatieve revolutionairen, verkeert de Nederlandse samenleving in een morele crisis, en is het zaak onze “kernwaarden' opnieuw duidelijk te maken en te onderschrijven. Alleen een herwaardering van die waarden, van onze nationaal-culturele identiteit, zou ons kunnen redden van de morele stuurloosheid; een noodsituatie die acuut geworden is door de komst van vreemdelingen.

In Trouw pleitte de Amsterdamse dominee Cornelis van den Berg daarom onlangs voor ,,een burgereed waarin men trouw zweert aan onze fundamentele waarden, af te leggen door elke meerderjarige die ons land binnenkomt en door elke Nederlander die achttien jaar wordt“. Wie zich bij herhaling niet aan die eed houdt, verliest zijn burgerrechten. Soortgelijke strenge geluiden zijn te horen bij onder meer de politieke formatie van Geert Wilders.

Maar zíjn we ten prooi aan morele verwildering? En, als dat zo is, is het dan aan te raden om die het hoofd te bieden door eden te zweren en nationale codes op te stellen die onze - en vooral andermans - gedragingen en overtuigingen moeten regelen? Is een vergaande moralisering van de samenleving, vooral wanneer die ons zo uitkomt, een goed idee?

Een aantal dwarse, maar misschien ook hoopvolle stellingen.

Allereerst: er is geen acute waardencrisis in Nederland. Een institutionele crisis? Daar lijkt het op, met politici die liever de dagkoersen van de volksgunst peilen dan een eigen lijn trekken.

Een crisis in de openbare handhaving van normen? Dat zeker. Verloedering van de publieke ruimte hangt samen met het uitblijven van controle. Een multicultureel drama? Daar gaan we van uit, ook al roept minister Verdonk nu: “let's accentuate the positive“. Ze kan daarvoor overigens gebruikmaken van het mooi genuanceerde rapport over integratie van de commissie-Blok, dat een paar jaar geleden onder hoongelach van haar partijgenoten binnen 24 uur na publicatie werd begraven.

Maar een wáárdencrisis? Het ziet er eerder naar uit dat moderne Nederlanders de laatste decennia steeds méér, en niet steeds minder waarden delen.

In sociaal, politiek en demografisch opzicht is Nederland momenteel niet een verbrokkelder, maar juist een homogenere natie dan honderd of zelfs maar vijftig jaar geleden. Traditioneel vormden in Nederland protestanten, katholieken, socialisten en humanisten een heterogene lappendeken van gescheiden, maar tot elkaar veroordeelde minderheden, die over fundamentele zaken heel anders dachten.

Dat is snel veranderd. Sinds de sociale en economische ontketening van de jaren zestig zet een nieuwe middenklasse steeds nadrukkelijker de toon in Nederland. Die is blank, liberaal, seculier, gelooft in de democratie, de rechtsstaat, in hard werken en eigen verdienste. Uit die middenklasse is ook een nieuwe morele consensus ontstaan. Blijkens het rapport Waarden, normen en de last van het gedrag, in 2003 opgesteld door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, zijn Nederlanders in moreel opzicht eerder naar elkaar toegegroeid dan van elkaar af. Sterker, het besef van gedeelde waarden is hier waarschijnlijk nog nooit zo sterk geweest, meent de Raad.

Een citaat: ,,Een sterke toename van het pessimisme over de toestand van onze zeden en gedrag is samengegaan met een afname van onzekerheid over wat goed en slecht is. Dit suggereert dat Nederlanders steeds zelfbewuster worden en minder in verwarring verkeren over goed en kwaad, maar wel zeer kritisch staan tegenover het gedrag van hun landgenoten“. Ook, meent de Raad, is “de steun onder de Nederlandse bevolking voor de waarden van de rechtsstaat en de democratie [...] groot en lijkt [die] eerder toe dan af te nemen.“ Mede daardoor maken we ons zulke zorgen om afwijkende waarden, die voor ons achterhaald zijn, en om de slordige normhandhaving.

Ook de historicus James Kennedy ziet in Nederland een “meerderheidscultuur' groeien, waarin brede consensus bestaat over maatschappelijke en morele waarden. Hij bespeurt die ook in de toenemende ergernis over religieuze uitingen, en de behoefte aan een “neutrale' publieke ruimte. Uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau, De staat van de toekomst, blijkt voorts dat Nederlanders in grote lijnen hetzelfde denken over de gewenste koers van de samenleving. En in de boekwinkel ten slotte mogen boeken over “het goede leven' en klassieke deugden zich verheugen in hernieuwde belangstelling.

Dat heeft een keerzijde. Die hegemonie van een liberaal-progressieve middenklasse kan leiden tot nieuwe tegenstellingen. Tekenend is de omgekeerde functie die het woord “intolerant' heeft gekregen. Vroeger gold dat bijvoeglijk naamwoord de houding van een meerderheid die de belangen van een minderheid miskende. Nu wordt het in de omgekeerde richting gebruikt: het is niet langer de meerderheid die een minderheid moet tolereren, maar andersom de minderheid die de eisen van de meerderheid moet tolereren, dat wil zeggen: zich erbij neerleggen. Marokkaanse rotjongens zijn “intolerant ten opzichte van de Nederlandse samenleving“. Daarbij gaat het trouwens niet alleen om allochtonen, of moslims, maar ook om daklozen en andere onaangepasten - tenzij ze “Tokkie' heten en tot tv-clowns kunnen worden verheven.

We zitten dus niet in een morele centrifuge, waarin alles naar de buitenkant vliegt, maar eerder in een hogedrukpan, waarvan de inhoud in steeds hoger tempo wordt klaargestoomd. Nederland loopt daarmee overigens voorop in Europa.

Andere delen van het continent zijn op moreel of levensbeschouwelijk gebied veel conservatiever, en hebben nog lang geen liberaal-progressief zelfbeeld ontwikkeld. Traditionele opvattingen over homoseksualiteit, gezin en huwelijk die in grote delen van oostelijk en zuidelijk Europa - en onder moslims - nog breed leven, gelden hier als reactionair en middeleeuws.

Dan: voor een goede samenleving is een compleet gedeeld pakket van waarden niet eens noodzakelijk. Liberale samenlevingen, die de notie koesteren dat niemand de absolute waarheid in pacht heeft, staan burgers toe, binnen bepaalde grenzen, uiteenlopende waarden te volgen. Dat is juist wat fundamentalisten zo onaantrekkelijk maakt: zij beschouwen een “innerlijk verdeelde' samenleving als een gruwel.

Een democratische samenleving gunt burgers, binnen de wet, de ruimte. Hier speel ik graag leentjebuur bij de Amerikaans-Ghanese filosoof Kwame Anthony Appiah, die net een mooi essay heeft gepubliceerd over pluriforme moraal, Cosmopolitanism. Net als moderne antropologen maakt hij een onderscheid tussen thin en thick concepts. Sommige waarden zijn ongetwijfeld universeel, dat wil zeggen eigen aan heel de menselijke soort. Maar het gaat daarbij om thin concepts, dat wil zeggen: om algemene begrippen die nog maar weinig concreet houvast bieden. Iedereen wil het beste voor zijn kind, maar wát is in welke context het beste? Hier haalt de cultuurrelativist zijn gelijk: wat in de ene samenleving geldt als gepast, wordt in de andere verworpen als respectloos.

Morele vocabulaires vallen dus niet samen, maar ze overlappen wel - en dat betekent dat mensen best als goede buren kunnen samenleven, en elkaar kunnen vinden in een gedeelde praktijk, terwijl ze toch uiteenlopende rechtvaardigingen geven voor hun gedrag.

Zou een overheid er bij die burgers dan op moeten aandringen, niet alleen dat ze hun kind allemaal naar school sturen, maar ook dat ze dat doen om precies dezelfde reden? Dat is niet nodig, en het kan in een pluralistische samenleving zelfs onwenselijk zijn. Daarom graag meer in die Rotterdam code, of gewoon in de APV, over zwerfvuil, graffiti, tramhokjes en boetes, en minder over hoe we moeten denken over homo's of seks buiten het huwelijk.

Voor een fatsoenlijke samenleving is het, omgekeerd, ook niet genoeg als iedereen dezelfde waarden deelt. Integendeel. Juist gedeelde waarden bieden volop springstof: over de vraag hoe ze moeten worden toegepast, welke de voorrang moeten hebben, en wie er wanneer een beroep op kan doen. Waarden zijn niet transparant maar, zoals ethici onderstrepen, essentially contested: ze botsen en geven altijd, per definitie, aanleiding tot discussie, meningsverschil en conflicterende interpretaties.

Heftige morele conflicten ontstaan daarom vaak niet eens tussen mensen die niks gemeen hebben, of er radicaal andere waarden op nahouden, maar tussen groepen mensen die dezelfde waarden nastreven. De Amerikanen die elkaar in de haren vliegen over het recht op abortus of euthanasie, delen hetzelfde morele vocabulaire, namelijk dat van individuele rechten. De orthodoxe joden en radicale moslims die elkaar naar het leven staan in het Midden-Oosten, denken niet verschillend over de waarde van Jeruzalem, maar hetzelfde. De stad is voor beide partijen heilig, en dat is juist het probleem.

Eerder dan aan het moraliseren van cultuurverschillen, of het formuleren van filosofische “kernwaarden' zouden we daarom moeten werken aan concrete politieke, sociale en culturele praktijken waar nieuwkomers een aandeel in hebben, en belang bij hebben, en die burgers aan elkaar binden.

Mensen raken niet overtuigd van de gelijkheid van de vrouw, de rechten van homo's, of de waarde van spotprenten, door, van beide kanten, olie op het vuur te gooien van een culturele oorlog. Dat gebeurt eerder door hen, met erkenning van hun morele handelingsbekwaamheid, aan te spreken als volwaardige en verantwoordelijke burgers. Een plaats die zij ook moeten opeisen. Mét handhaving van de wet, mét alle harde confrontaties van dien, zoals nu over de gewraakte cartoons, maar ook vanuit het besef van een gemeenschappelijke toekomst. Daarin is geen plaats voor haat, maar hoeven we ook niet verliefd op elkaar te worden. Het is, zoals Appiah zegt, al heel wat als we meer aan elkaar wennen. Dat klinkt soft, maar het is hard werk - harder dan het opstellen van morele verlanglijstjes.

Redacteur van NRC Handelsblad.