Vloeken is vrijwel nooit godslastering

Waar het geloof gaat, verschijnt de vloek. En wie vloekt, erkent zijn eigen nietigheid.

Niemand ontkomt aan de vloek. In plaats van ons er snobistisch van af te keren, of het tegendeel, het vloeken te gebruiken als ware het een harnas tegen ongeluk, zouden we de machteloosheid van scheldpartijen eens op ons moeten laten inwerken. De vloek blijkt een onherroepelijke waarheid over de menselijke conditie te verklappen, waarin het verschil tussen gelovigen en ongelovigen niet wordt gemarkeerd, maar juist oplost.

De gelovige ergert zich aan het onheus gebruik van de naam van zijn god. Maar hoe moet de gelovige zijn gelijk halen? Zijn ergernis is alleen legitiem als hij kan bewijzen dat hij gelooft. En dat is even lastig als het leveren van een godsbewijs. Hoe moet hij zich legitimeren? Haalt hij zijn portemonnee tevoorschijn en trekt een godsbewijs tussen zijn treinkaart en rijbewijs vandaan, waarop staat dat hij gelooft? Een pasje met een ichthusteken? Dat zou pas ijdel gebruik zijn van de naam van God.

In ieder geloof is God het symbool voor de alomvattende werkelijkheid “waarboven niets groters kan worden gedacht'. Zijn naam ijdel gebruiken betekent daarmee ook iets heel anders dan “godverdomme' zeggen. Zijn naam ijdel gebruiken betekent in het extreemste geval doden uit naam van een god, maar in het meer gangbare geval gaat het om een valse voorstelling van de werkelijkheid die de suggestie wekt dat de werkelijkheid in haar geheel kan worden gevat en bovendien dat de mens over deze werkelijkheid beschikt.

Dit is de achtergrond van bijvoorbeeld het joodse beeldverbod. “Dat', waarboven niets groters kan worden gedacht, laat zich niet vangen in een beeld. Wij zouden God geweld aandoen als we het toch probeerden. Dat klinkt eerbiedig, maar een beeldverbod is feitelijk alleen maar een versterking van het beeld. Het “net niet kunnen zien' wordt een ultieme teaser: inkijk in het diepe decolleté van het geloof. God als alomvattend symbool lijkt een willekeurige aanname die we net zo goed achterwege kunnen laten. Maar het is een noodzakelijke aanname. Als we er namelijk niet van uitgaan dat ons bestaan zich afspeelt in een alomvattend geheel, is immers geen zinnige gedachte mogelijk. In “niets' is per definitie niets denkbaar. Zodra een mens iets voor waar houdt, neemt hij automatisch ook een groter geheel aan dat dit “iets', deze punt in de ruimte, zijn coördinaten verschaft.

Vooral christelijke denkers hebben erop gewezen dat je ergens moet stoppen in deze redenering, anders kom je in een oneindige regressie terecht. Maar dat is willekeur. Ons bestaan is blijkbaar ambivalent. Ook al is de vooronderstelling van een alomvattend geheel noodzakelijk, we moeten tegelijkertijd ook het tegenovergestelde erkennen, namelijk dat we onmogelijk een geheel kunnen overzien - al was het maar omdat waar we ook staan in de wereld, we altijd onszelf nog in de weg staan. Het resultaat van deze paradox is dat niemand kan zeggen “dit is God', maar evengoed dat niemand zonder een godsvoorstelling kan. Het verboden beeld is de spiegel van ons bestaan. God gaat waar de mens gaat. En God sterft waar de mens sterft. En zo is het geloof een zaak van ons allen. Geen bekeerling heeft het beschikkingsrecht over zijn eigen god.

De copyrights van het symbool liggen in dit uitzonderlijke geval bij het symbool zelf. Dát - en niet de vrijheid van meningsuiting - maakt procederen tegen vermeende godslastering altijd zo heikel. Het symbool is het onvoorwaardelijke deel van de menselijke cultuur en nooit van slechts een deel van die cultuur.

Het meest liederlijke geval van “godslastering' dat we in Nederland kennen betreft “het ezelproces' tegen Gerard Reve. De schrijver pleitte zichzelf vrij nadat hij zijn god een ezel noemde die hij de hoefjes voorzichtig afbond alvorens hij met het beest de liefde bedreef. Of neem de televisiereclame van internetaanbieder Versatel, waarin een voetbalwedstrijd door een letterlijke “hand van God' wordt beslist. De letterlijkheid van de hand was reden van onder meer de ChristenUnie om tegen het ijdele gebruik te protesteren. Tevergeefs. Geloof blijkt van ons allen. En als cultureel eigendom mogen we daar vrij creatief mee omgaan.

Dat het omgekeerde niet geldt werd de katholieke kerk pijnlijk duidelijk door het kort geding dat de erven van de Amerikaanse schilder Barnett Newman aanspanden tegen het bisdom van Utrecht. Het bisdom had beeld en titel van het schilderij Who's Afraid of Red, Yellow and Blue III ijdel gebruikt voor een reclamecampagne. Het bisdom verloor en betaalde 13.952 gulden boete. Ongevraagd was het geestelijk eigendom van Newman aangewend.

Waar de mens gaat, gaat het geloof. En waar het geloof gaat, verschijnt de vloek. Zij die de naam van God niet ijdel gebruiken zouden beter moeten weten. God, Jezus, de bijbel, Mohammed, de koran, ze behoren allemaal tot het geestelijk eigendom van de menselijke cultuur. En die cultuur is ook de cultuur van de atheïst. Vloeken is vrijwel nooit godslastering. Het is zelfs de erkenning van de nietigheid van de vloeker. Die kan alleen maar vloeken.

Filosoof. Dit is een hoofdstuk uit zijn boek “Kijk de mens.Filosofische etiquette', dat volgende week verschijnt.