Verzet tegen fictie in film ontneemt de kijker zijn plezier

Het leven van een mens is te kort om in een film te vatten. Zegt men. Maar waarom zouden we genoegen moeten nemen met braaf realisme?

Zou er echt één gebeurtenis in een leven zijn waar alles naar terug is te voeren? In veel biopics zit net als in Orson Welles' fictieve Citizen Kane een “rosebud'. In de biografische films uit het Vita Brevis-programma ontbreken ze. Op het Internationale Filmfestival Rotterdam geen gebeurtenis uit een jeugd die het hele latere leven moet verklaren, zoals in The Avatiator van Martin Scorsese over filmregisseur Howard Hawks, of Walk the Line van James Mangold over countryzanger Johnny Cash. De beste films uit het programma zijn de films die proberen aan te tonen dat het een onmogelijke onderneming is, het leven van een mens in een film te vatten; zoveel jaren, dagen, uren in de anderhalf uur die een speelfilm nu eenmaal duurt. The Aviator leek zelfs al het failliet van het streven aan te tonen, zo amechtig was die dure productie. En toch. De alternatieven laten verzet zien tegen fictie, een haast calvinistische schroom die de kijker het plezier ontneemt van het opgaan in het leven van een ander, erin door te dringen, je erin te wentelen, het mee te maken. Het is een brug die alleen kunst kan slaan, van de ene naar de andere mens, van Being John Malkovich of Sissi of JFK of vul maar een illusie in. Het is zonde om die mogelijkheid, hoe onmogelijk ook, op te geven, de verbeelding over te laten aan Hollywood en zelf met braaf realisme genoegen te nemen. De slotfilm van het festival is vanavond Good Night, and Good Luck van George Clooney. Daarin is een van de belangrijkste personages, communistenjager en senator Joseph McCarthy, alleen op archiefbeelden te zien. Waarom eigenlijk?