Verslaafd, rijk en besluiteloos

ExxonMobil en Royal Dutch Shell kwamen deze week met recordwinsten. Dat maakt de politieke verleiding om overwinsten af te romen wel heel erg groot. Wat te doen?

De Verenigde Staten moeten af van hun olieverslaving, meldde de Amerikaanse president Bush deze week in zijn jaarlijkse toespraak tot het Congres, de State of The Union. De afhankelijkheid van olie uit het Midden-Oosten moet in 2025 met driekwart zijn teruggebracht. Makkelijk gezegd, moeilijk gedaan. De regio is op dit moment goed voor rond eenderde van de dagelijkse olieproductie, maar herbergt tweederde van de bewezen oliereserves. Het lijkt er zo eerder op dat in de toekomst alleen maar meer olie uit de regio naar de VS zal vloeien, in plaats van minder.

Bush' opmerking is een echo uit de jaren zeventig, toen de wereld er met een schok achter kwam dat olie niet langer een goedkope en probleemloze grondstof was. Een ander geluid uit de jaren zeventig is nu ook weer te horen: het afromen door de overheid van de “overwinsten' van oliemaatschappijen, die zijn opgestuwd door de hoge prijs van olie en olieproducten.

Die winsten zijn inderdaad hoog. Het Amerikaanse ExxonMobil presenteerde afgelopen maandag een kwartaalwinst van 10,7 miljard dollar, en een jaarwinst van ruim 36 miljard. Royal Dutch Shell kwam donderdag met een jaarwinst van ruim 26 miljard dollar. In de Verenigde Staten en Groot-Brittannië zijn inmiddels vergevorderde voorstellen om de oliewinsten af te romen, dit uiteraard tot verdriet van de oliemaatschappijen zelf.

Wat moeten aandeelhouders van oliemaatschappijen hier allemaal van denken? Allereerst moeten ze dankbaar zijn voor de koersstijging die zij hebben mogen meemaken. Dat geldt niet zozeer voor de aandeelhouders van het achterblijvende Royal Dutch Shell, maar wel in zijn algemeenheid. ExxonMobils koers bijvoorbeeld ging de afgelopen jaren door het dak. In bijstaande grafiek staat Datastreams wereldwijde aandelenindex voor olie- en gasbedrijven, en die zegt genoeg.

De toekomst hangt in grote lijnen af van olie zelf. In de Verenigde Staten groeit het aantal aanhangers van de peak oil-theorie, die stelt dat de olieproductie wereldwijd al vlak bij zijn piek is, waarna de productie duurzaam zal dalen. Die overtuiging ondersteunt voorspellingen voor nog veel hogere olieprijzen. Olie-expert Arjun Murti van zakenbank Goldman Sachs schokte vorig jaar maart de oliemarkt met een voorspelling van een prijs die schommelt tussen 50 dollar en 105 dollar per vat tot 2009. In de loop van het jaar kreeg hij al een beetje gelijk: meer dan 70 dollar in het najaar, vooral als gevolg van het heftige Amerikaanse orkaanseizoen. De afgelopen twee weken klom de prijs opnieuw in die richting, onder meer door een dreigend conflict over Irans nucleaire ambities.

De olieprijs wordt op dit moment beïnvloed door drie factoren. Allereerst is er de geopolitiek: de onzekerheid van levering door diverse olielanden, en het risico op conflicten over de toevoer tussen de belangrijkste afnemers. Dan is er de wereldwijde vraag, die is aangewakkerd en verder zal toenemen door het verschijnen van vooral China en ook India als majeure spelers in de wereldeconomie. Als laatste is er het structurele aanbod. Er is, zo luidt de consensus, jarenlang te weinig geïnvesteerd in de productiecapaciteit, en dat breekt de olieproductie nu op. Bovendien moet er een overgang komen naar alternatieve vormen van energie, die enorme investeringen vergt.

Wat is daarbij de rol van oliemaatschappijen? De man in de straat ziet enerzijds zijn energierekening en de pompprijs van bezine oplopen, en anderzijds de winsten van de oliebedrijven naar records stijgen. De link is snel gelegd: afromen die winsten, en teruggeven aan de consument. Oliemaatschappijen doen er dan ook goed aan om duidelijk te maken dat de winsten vloeien naar meer en betere investeringen, onder meer in duurzame energie. Zo vermijden zij wellicht de hogere belastingaanslag op hun recordwinsten. De zoektocht naar nieuwe velden gaat onverminderd door, en wordt wellicht iets eenvoudiger als de olieprijs hoog blijft en voorheen onrendabele projecten veelbelovender worden. Maar dat vergt wel het vertrouwen dat olie duurzaam duur blijft.

Royal Dutch Shell, dat moeite heeft voldoende nieuwe olie en gas te ontdekken om zijn jaarlijkse productie aan te vullen, maakte donderdag bekend dat het zijn investeringen opvoert tot 19 miljard dollar. Maar het zei ook om, net als vorig jaar, voor vijf miljard dollar aan aandelen in te kopen. Dat is op het eerste gezicht goed voor de koers, want de winst wordt dan verdeeld over minder aandelen. maar vanuit het oogpunt van public relations lijkt het op dit moment minder slim. Wie in het huidige klimaat de indruk wekt zoveel geld over te hebben, moet niet gek opkijken van een discussie over een belastingaanslag op overwinst, hoe onterecht ook. En daar hebben de aandeelhouders nog veel minder aan.