Van routinier tot risee van de Kamer

Boris Dittrich wist met wisselende coalities spraakmakende wetgeving, zoals de euthanasiewet door het parlement te loodsen. Maar de gisteren afgetreden fractievoorzitter van D66 droeg ook bij aan de neergang van zijn partij.

Den Haag, 4 febr. - “Het past me niet, dat onverbloemd etaleren van mijn eigen talenten. Maar moest ik mezelf niet op de een of andere manier in de kijker spelen?“ Het schoot het aspirant-Tweede-Kamerlid Boris Dittrich naar eigen zeggen door het hoofd toen hij zich in 1994 als kandidaat moest presenteren voor zijn partij.

Dittrich wist zich in de jaren daarna als Kamerlid bijna voortdurend “in de kijker' te spelen. Tot afgelopen donderdagavond, toen hij dat net even te veel had gedaan. In debat met SP-fractievoorzitter Jan Marijnissen kon hij de strategische blunders van zijn fractie in het Afghanistan-debat niet meer verbloemen. De onthulling dat hij met een kabinetscrisis had gedreigd om oppositiepartij PvdA voor het blok te zetten, maakte hem niet alleen tot risee van de Tweede Kamer, maar was, mede door de minutieuze televisieregistratie ervan, de opmaat voor zijn aftreden als fractievoorzitter.

Zijn opstappen was, in zijn eigen woorden, het gevolg van politiek-strategische fouten waarvoor hij persoonlijk de verantwoordelijkheid wilde nemen.

Boris Dittrich trad in januari 2003 na de verkiezingen als fractievoorzitter aan. Lijsttrekker Thom de Graaf, die wegens zetelverlies zelf terugtrad, presenteerde hem als een duveltje uit de doos: de buitenwacht had gerekend op nieuwkomer en oud-europarlementariër Lousewies van der Laan. Zij had zich een jaar daarvoor immers zelf al gepresenteerd als de running mate van De Graaf. “Als Thom vertrekt, zal ik niet voor zijn plek terugschrikken.“ Maar het werd in 2003 Dittrich, en nog niet Van der Laan. De vraag of hier nu het nieuwe politieke gezicht van D66 of een tussenpaus in de coulissen stond, pareerde hij toen met het antwoord dat “elke paus een tussenpaus is“.

Tussenpaus of niet, Dittrich was in ieder geval geen onbekend gezicht voor de D66-achterban. Hij gold in 2003 als een parlementair routinier. In mei 1994 trad hij aan in het gezelschap van De Graaf en Van Boxtel, de nieuwe “krullenbollen' van de D66-fractie die dat jaar het ongekend hoge aantal van 24 zetels in de Tweede Kamer had.

Ook elders in het land ging het medio jaren negentig goed met D66. In Amsterdam, de stad waar Dittrich zijn politieke carrière begon, had de partij toen zoveel aanhang dat daar na het vertrek van burgemeester Ed. van Thijn op hoge toon het burgemeesterschap werd opgeëist. De PvdA zou inmiddels haar langste tijd als grootste partij in de stad wel achter de rug hebben.

Dittrich draaide mee in wat wel als de gouden jaren van Paars werd omschreven. De euthanasiewet, de wet die homohuwelijken mogelijk maakt en een wet tegen stalken kunnen voor een belangrijk deel op zijn conto geschreven worden. Dittrich maakte daarbij gebruik van wisselende coalities van regeringspartijen en de oppositie.

Maar hij was ook betrokken bij de neergang van zijn partijgenote minister Winnie Sorgdrager (Justitie) en hij maakte de eerste grote verkiezingsnederlaag van D66 mee in 1998. Het was het begin van een afkalving die zich bij de twee volgende verkiezingen zou voortzetten.

Na de teloorgang van Paars in 2002 sloot hij dergelijke coalities ook met nieuwkomer LPF, onder meer om spreektijd voor slachtoffers in strafprocessen mogelijk te maken, voor de aanscherpingen van het tbs-beleid en de verhoging van maximum-gevangenisstraffen in het strafrecht. In het eind 2001 verschenen boek van zijn hand, Een blauwe stoel in Paars, omschreef hij het parlementaire werk nog als een “permanente knokploeg tegen de overheid, ministers en bureaucratie, een gevecht tegen ministers“. In dat boek deed hij ook de eerder genoemde ontboezeming over de moeite die hij in 2004 nog had om zichzelf te profileren.

D66, zo drukte Dittrich zich in 2003 nog uit, is een “redelijke, progressieve en liberale partij“. Met dat profiel loodste hij D66 het tweede, centrumrechtse kabinet van premier Balkenende in. De interne partijstorm tegen die koers overleefde hij. Maar toen D66-minister Thom de Graaf vorig jaar sneuvelde nadat de Eerste Kamer zijn voorstel voor het gekozen burgemeesterschap afwees, groeide de kritiek op zijn functioneren binnen de partij. Het zogeheten Paasakkoord van vorig jaar april, waarin het kabinet na het aftreden van De Graaf nieuwe afspraken maakte, werd door een meerderheid van de D66-achterban opnieuw geaccepteerd. Maar prominente partijgenoten zeiden toen al dat het al lang niet meer ging om de politieke koers van D66, maar om “banale continuering van het regeerpluche voor sommige politici van de partij“.

Dat interne wantrouwen over de ambities van de fractievoorzitter zwol de afgelopen twee maanden aan toen onder verantwoordelijkheid van Dittrich in december eerst werd ingezet op een ramkoers in het Afghanistan-debat, inclusief de dreiging van het opblazen van het kabinet, om vervolgens weer in te binden over die crisisdreiging. Over de inhoudelijke aspecten van de zaak ging het nauwelijks.

In een permanent afkalvingsproces van zijn partij overleefde Dittrich onder meer zijn politieke generatiegenoten Sorgdrager, Van Boxtel en De Graaf. Het was gisteren uitgerekend zijn thuisbasis, de D66-afdeling in Amsterdam, die als een van de eerste om zijn vertrek vroeg vanwege zijn rol in het Kamerdebat.