Valentijn

Oscar Kocken (22) is nog steeds op zoek naar de ware, maar voor Valentijnsdag verzint hij een nieuwe strategie

Zoals mij altijd is geleerd om uitsluitend tijdens sinterklaas pepernoten te eten, het rondzwalken in een koeienkostuum te beperken tot carnaval en oliebollen te bewaren voor oud en nieuw, zo valt er ook het een en ander te zeggen voor het principe om enkel en alleen met Valentijnsdag iets aan liefde te doen. Het is niet mijn principe, maar het is ten minste een principe. Dat vind ik al heel wat.

Je zou je zelfs kunnen voorstellen dat er nog best een zinvolle redenering achter zit: wanneer Albert Heijn al in september strooigoed in de winkel legt, dan gebeurt dat uit louter commerciële overwegingen. En, zo stellen veel mensen, het sinterklaasfeest mag niet verpest worden door commercie. Wat voor de goedheiligman geldt, dat geldt misschien ook wel voor de liefde. Stuur je pakweg in november iemand een liefdesbrief, dan wordt alleen TPG-post daar beter van.

Dat soort dingen schoot door mijn hoofd toen ik op een donderdagmiddag door de binnenstad liep. Ik had mijn snor laten staan en een zonnebril opgezet, zodat ik minder snel herkend zou worden. Niet dat dat vaak gebeurde, maar je wist maar nooit. Bovendien wilde ik liever niet herkend worden als ik net mijn snor had laten staan.

Het was ruimschoots voor Valentijnsdag, maar in de spiegelende etalages zag ik dat men al zijn uiterste best deed om mij tot liefdegerelateerde aankopen te verleiden. Het enige wat ik echter met een redelijke oprechtheid voor elkaar kreeg was mij naar hartelust verbazen over de overdaad aan schreeuwerige aanprijzingen waarmee al deze voorwerpen tentoongesteld stonden. Vanwaar die behoefte om publiekelijk uit te komen voor je slechte smaak? Roze konijntjes die met een ijzerdraadje een slap ballonnetje de lucht in hielden. Kant-en-klare liefdesboodschappen, zo af te halen bij de Bijenkorf, waar beer Bob met lodderige ogen “I love you' uitkraamt, en bakvissen “oh-hihi-wat-schattig' doen.

Plotseling kwam het mij vreemd voor dat ik mij andere jaren altijd zo enorm verheugde op die 14de februari. Ik opende vaak zelfs speciaal een postbus voor deze gelegenheid en ik kon dagenlang kriebels in mijn buik hebben alsof ik niet verliefd was op een meisje, maar meer op de datum. De spanning was er in gelegen dat je er altijd wel vanuit kon gaan dat je van één van die drie miljard vrouwen op de wereld een kaartje kon ontvangen, maar het probleem was dat zo'n aanzoek pas zin had als ik aan precies datzelfde meisje toevallig ook een briefje had gestuurd. Met het sturen van slechts één brief was me dat een te grote gok. Bovendien is bekend: wie geluk heeft in het spel, heeft pech in de liefde. En vice versa. Zulke dingen veroorzaakten niet zelden kortsluiting in mijn hoofd.

Ik besloot dat ik mijn bevindingen van die dag moest combineren. Bovendien had ik het gevoel dat het tijd was voor een grootse daad. Dat heb ik wel vaker, maar nu vond ik dat ik er maar eens een keertje gehoor aan moest geven. Ik zette daarom alles voor mijzelf op een rijtje en trok mijn conclusies. Ik vond dat ik ook een principe moest hebben in mijn leven, ik meende dat Valentijn niet aan mij besteed was en ik kreeg het idee dat ik gewoonweg het recht had om zowel in het spel als in de liefde geluk te hebben. Wat daaruit volgde was misschien wel het belangrijkste besluit van mijn hele leven: ik zou het hele jaar aan liefde doen, behalve tijdens Valentijn. Op 14 februari was het tijd voor haat. Ware haat en betaalde haat. Mij om het even.

De rest van het jaar zou ik het Valentijnsconcept geheel omdraaien. Niet zou ik geheel anoniem slechts één enkel kaartje sturen en op de envelop wel de geadresseerde maar geen afzender zetten. Ik zou het totaal anders aanpakken: ik zou dagelijks de rode brievenbussen doen uitpuilen met stapels liefdesbrieven. En om het noodlot een handje te helpen, zou ik er voor zorgen dat het heel duidelijk was van wie al die romantische kaarten komen, maar dat niemand weet voor wie ze in vredesnaam bedoeld zijn. Zo gaat dat in mijn leven.