Tollenstwist (2)

Ik zou wel wekelijks een twist met Rudy Kousbroek willen hebben, als hij me altijd even hoffelijk antwoordt als hij gedaan heeft op 13 januari. Het zweepje dat hij hanteerde was van fluweel. Alleen vrees ik dat de krant spoedig zou afhaken als we door blijven gaan, want er is nu een andere twist losgebarsten, opnieuw over de Nederlandse letterkunde, maar dan over de allernieuwste hedendaagse poëzie en de beoordeling ervan, over falende kritiek, over eruditie, de canon en de hedendaagse ongeconcentreerde student. Jonge en oude mannen, net hoogleraar of al heel lang hoogleraar, schudden in twee kwaliteitskranten hun hoofd over de ontwikkelingen. De jonge hoogleraren willen gehoor geven aan de veranderde smaak; de oudere vreest dat dit ten koste van de erkende literatuur gaat. Ik kan over al die aandacht voor de Nederlandse literatuur alleen maar blij zijn, want daar is het me uiteindelijk om te doen.

Waarom ik blij ben met aandacht? Maar al te vaak merk ik dat er een dédain is voor de Nederlandse literatuur, die ver beneden die van de buitenlanders zou staan. “Ik lees geen Nederlandse boeken,' hoor ik mijn studenten geregeld zeggen. En ze hoeven er in de studie Nederlands niet veel te lezen. Het aantal bladzijden dat de docent mag opgeven wordt per leesuur berekend; je kunt 20 pagina's roman per uur lezen, dus mag de student per week niet meer dan 100 pagina's Couperus lezen in de normatieve urenberekening. Het ironische is, dat het buitenland daarin echt wel beter is. Wie een middelbare school gevolgd heeft in Duitsland leest en kent zijn klassieken. De oudere literaire teksten zijn er dan ook makkelijk in goedkope uitgaven te krijgen. Tollens daarentegen kan niet eens gelezen worden in een moderne uitgave, net als zoveel oudere Nederlandse schrijvers. Geïnteresseerden zonder een oude bibliotheek kunnen niet eens beoordelen of Tollens wel of niet meevalt. Alleen het internet, met de onvolprezen digitale boekenkast van de DBNL (Digitale Bibliotheek Nederlandse Literatuur) biedt soelaas, maar slechts voor studie, want wie voor zijn plezier wil lezen zoekt toch een gedrukt boek.

Ook van Kousbroek denk ik wel eens dat hij kritischer ten opzichte van de Nederlandse cultuur is dan ten opzichte van, bijvoorbeeld, de Franse. Uiteindelijk gaat het er mij echt niet om of Hendrik Tollens een minder of een beter dichter is dan Victor Hugo. Literaire oordelen zijn niet hard te maken, ik wees daar in mijn vorige column al op. Je kunt bewijzen hoeveel gedichten iemand geschreven heeft, hoeveel bundels er van iemand verkocht zijn, desnoods kun je tellen hoe vaak een dichter in een bepaalde periode geciteerd of genoemd wordt, en op basis daarvan verifieerbaar vaststellen dat een dichter belangrijk geweest is in de publieke sfeer. Maar kwaliteit valt niet te tellen, niet te bewijzen, niet vast te stellen. Ja, de kwaliteit van een stuk katoen kun je vaststellen door het duizend maal te wassen en dan te kijken of het al gekrompen of gesleten is. De consumentenbond kan de kwaliteit van voedsel vaststellen. Kan aantonen dat biologische wortels evenveel vitaminen en mineralen bevatten als bespoten wortels. Over de smaak ervan zwijgt de bond.

Dit is precies waar in de jaren zeventig van de vorige eeuw een nieuwe school van literatuurvorsers een twist over voerde. De literatuurstudie was niet wetenschappelijk, want ze had geen methodologie, ze sprak waardeoordelen uit over literatuur en presenteerde die alsof ze op onderzoek gebaseerd waren. De literatuurmethodologen stelden voor het onderzoeksveld te verleggen. Niet meer naar de literatuur en vooral niet meer naar haar betekenis kijken, maar naar de zaken om de literatuur heen, de kritiek, de prijzen, de marktmechanismen. Het was vermakelijk dat Karel van het Reve de methodologen aanviel op de onleesbaarheid van hun stukken: juist een criterium dat van geen enkel belang is voor een harde wetenschapper en dat de methodologen dus eigenlijk niet raakte.

Ik ben zelf nooit zo'n aanhanger van die verschuiving naar de satellieten om de literatuur heen geweest. Geef mij de literatuur zelf maar, die is interessanter dan de kritiek. Maar de uitgangspunten van de methodologen kloppen wel: een kwaliteitsoordeel is niet op een bètamanier hard te maken. Dat betekent nog niet dat je lukraak kunt beweren dat Kees Stip een betere dichter is dan Herman Gorter. Maar een laboratorium waar je kunt testen of je lectuur van hoog niveau is,bestaat niet. De geesteswetenschappen zouden zich dan ook niet moeten enten op de methoden van de bètawetenschappen en gewoon moeten aanvaarden dat er geen eigen methode voor de literatuurstudie bestaat waarmee kwaliteitsuitspraken hard gemaakt kunnen worden. Ik kan alleen maar een beroep doen op mezelf als ik, bijvoorbeeld, beweren wil dat Hans Faverey de beste Nederlandse dichter is van na de Vijftigers. Ik kan op originaliteit wijzen, op muzikaliteit, op zijn volstrekt eigen toon, op zijn ongekende manier om van abstract naar concreet en andersom te gaan, op zijn volstrekt unieke loskoppeling van woord en de werkelijkheid waar het woord naar verwijst, maar heb ik dan bewezen dat Faverey een groot dichter is? Nee, hooguit heb ik iemand nieuwsgierig gemaakt.

Dit alles weet Rudy Kousbroek net zo goed als ik. Het blijft een kwestie van de ander proberen te overtuigen door voorbeelden van geslaagde of minder geslaagde verzen aan te halen.

Rudy Kousbroek meent dat Tollens de mindere is van Hugo omdat hij niet ironisch is. Is ironie een kenmerk van goede poëzie? Dan zou J.H. Leopold geen goede dichter zijn. J.C. Bloem trouwens ook niet, want bij hem valt ook niet veel te lachen. En Stip zou hoog stijgen op de ladder, evenals C. Buddingh. Maar wat Kousbroek echt onverdraaglijk vindt, is Tollens' vroomheid, “de ellende van de godsdienst die alles verpest'.

Als godsdienst in de literatuur alles verpest, dan zou er weinig literatuur overblijven. Vondels Lucifer gaat alleen over God en godsdienst, en toch is het, vind ik, een prachtig stuk. In Goethes Faust gaat het ook over God en zijn geboden, en toch is het een prachtig stuk. Ook bij Hugo tref je nog flink wat God aan als hij over kindjes schrijft of over de morgenstond.

Toch raakt Kousbroek hier wel aan de achilleshiel van de historische letterkunde. Hoe kan een hedendaags lezer nog bewogen raken door literatuur waarin een mentaliteit heerst die volkomen vreemd is voor ons? Wie kan zich nog verplaatsen in Beatrijs, of in Mariken van Nimweghen? Wie in Gijsbrecht van Aemstel? Tobben omdat je iets doet dat God onwelgevallig is, berusten in ellende omdat God die gewild heeft, wie kan zich daar nog iets bij voorstellen? Ik moest op de middelbare school Vondels Jephta lezen (zou er nog een school zijn die dat stuk durft voor te schrijven?) en ik herinner me nog de weerzin die ik voelde tegen een God die eiste dat een vader zijn dochter zou offeren. Ik heb het stuk nooit herlezen. Maar de wrede Medea zoals die voorkomt in een gedicht van Vestdijk, die haar broertjes in stukken snijdt, en zo de achtervolging van haar vader vertraagt, die wenend de lichaamsdelen bij elkaar raapt en daarmee zijn dochter uit het oog verliest, en de Medea die haar eigen kinderen wurgt, getuigt dat verhaal van een mentaliteit die ik begrijp? Daar komt geen God aan te pas, althans geen christelijke, maar evengoed staat het mijlenver van me af.

Wat Kousbroek als een nadeel ziet, zou je ook als een voordeel kunnen zien. Het gaat in de literatuur bij de meeste lezers in eerste instantie om herkenning van de eigen gevoelens, tederheden, weemoed of denkbeelden. Zo beoordeelt men literatuur. Vooral als de schrijver erin slaagt denkbeelden of gevoelens uit te drukken die men zelf wel had, maar nog niet zo mooi geformuleerd zag. Men kan ook zichzelf open stellen voor literatuur waarin niet de eigen wereld het centrum is, maar waarin men het vreemde kan leren kennen. Kunnen we Jeptha, die zo van God doordrongen is dat hij zijn dochter wil offeren, via Vondel begrijpen? We zullen er ons niet mee identificeren, maar wel leert literatuur uit andere tijden andere denkwijzen kennen. Is Jeptha anders dan hedendaagse fundamentalisten? Vondel staat dichterbij dan we denken. Tollens ook - wat is nu twee eeuwen? Niet meer dan het verschil tussen mijn jonge buurman die zondags naar de kerk gaat en mij.