The Plastic People nog altijd dissident

De Tsjechische band The Plastic People of the Universe gold als staatsgevaarlijk onder het communisme en inspireerde Václav Havel 30 jaar geleden tot Charta 77.

Achterin een donkere volkskroeg, in een achterbuurt van Praag, zitten drie grijze mannen. Ze hebben lang haar, doordringende ogen en zitten als apostelen aan een langgerekte tafel. Boven hen hangt een verbleekte poster van de Heilige Maagd Maria. Onder de tafel liggen muziekinstrumenten. Er wordt thee gedronken.

Vratislav Brabenec, Josef Janicek en Jirí Kabes waren onder het communisme dissidenten. De bandleden van The Plastic People of the Universe zaten eind jaren zeventig maandenlang - Brabenec zelfs een heel jaar - in de gevangenis wegens het maken van staatsgevaarlijke rockmuziek. Nu zijn ze vrij, maar eigenlijk zijn het nog steeds dissidenten. Het onaangepast zijn zit hun in het bloed, onder wat voor systeem ook. De muziek die ze maken klinkt wat gedateerd, maar is nog steeds even onnavolgbaar, zo niet ondraaglijk, als twintig jaar geleden, met gierende gitaren, piepende saxofoons, krijsende violen, strak beukende drums en diep poëtische teksten.

Muziek, zo legt Brabenec uit, moet niet aangenaam of lieflijk zijn, maar wakker schudden, op de proef stellen, enerveren. De Tsjechische saxofonist luistert zelf graag naar Albert Ayler, auteur van wat mogelijk de minst toegankelijke platen uit de jazzgeschiedenis zijn. “Die man heeft ongelooflijk veel humor in z'n spel“, zegt de 62-jarige. “Ja, dat meen ik.“

The Plastic People zijn niet echt populair in Tsjechië. “Ze zijn ontzettend underground“, zegt een meisje dat bij een Praagse muziekzaak achter de kassa zit, terwijl ze er een vies gezicht bij trekt. “Mijn ouders hebben het ook nooit wat gevonden.“ Maar toch is de band een begrip. De groep werd opgericht in 1968, kort nadat de Sovjetinvasie een einde maakte aan de Praagse Lente, en stevende al snel af op een confrontatie met het communistische regime. In 1970 kwam de band niet door de staatskeuring die elk muziekensemble in die dagen moest ondergaan en werd de vergunning om op te treden afgenomen. Instrumenten werden afgepakt.

De autoriteiten konden nog een paar keer op het verkeerde been worden gezet met “wetenschappelijke lezingen over popmuziek': de lezingen duurden vijf minuten, de concerten die dienden ter illustratie enkele uren. Maar die achterdeur ging snel dicht. De band week uit naar het platteland, met zelf in elkaar gelaste spullen, voor clandestiene optredens in boerderijen en balzaaltjes, tijdens “bruiloften'. De locaties voor zulke concerten werden vaak pas een dag van tevoren bekendgemaakt, maar de geheime politie was nooit ver weg. In 1974 werden honderden studenten die op weg waren naar een concert met gummiknuppels teruggeslagen naar Praag.

In 1976 werden de bandleden alsnog opgepakt en, na een showproces, veroordeeld tot gevangenisstraffen, wegens huisvredebreuk en schunnige teksten. Het was onder meer die gebeurtenis die Václav Havel, een jonge toneelschrijver die tijdens het proces in het publiek zat, in 1977 inspireerde tot het opstellen van de mensenrechtenverklaring Charta 77.

Volgens Havel, die zou uitgroeien tot de bekendste dissident van Tsjechoslowakije, verdedigde de band “het intrinsieke verlangen van het leven om zichzelf vrij te uiten“. Er ontstond druk vanuit het westen om de bandleden vrij te laten. The Plastic People braken door, niet als muzikanten, maar als dissidenten.

Ze waren dissidenten tegen wil en dank. Eigenlijk waren ze niet zo geïnteresseerd in politiek (“nog steeds niet“) en wilden ze gewoon muziek maken, het liefst zo bizar mogelijk, maar niet met de intentie om de staat omver te werpen. De grootste inspiratiebronnen waren The Velvet Underground (van Lou Reed) en Frank Zappa. De bandnaam was ontleend aan een melig Zappa-nummer, over “de kunstmatige mensen'. Het gebruik van de altviool was afgekeken van The Velvet Underground. “Ik was de enige die een beetje politiek geëngageerd was“, zegt Brabenec. “En ik had daardoor later de meeste problemen.“

Na de gevangenisstraffen hervatte de band zijn clandestiene bestaan, met onder meer optredens in het buitenhuis van Havel. Maar in 1982 week Brabenec uit naar Canada, na herhaalde intimidatie en mishandeling. Hij verdiende daar zijn jarenlang brood als landschapsarchitect. Toen de communisten een nieuwe muzieklicentie in het vooruitzicht stelden op voorwaarde dat de bandnaam zou worden gewijzigd, raakte de groep intern verdeeld. De band viel uit elkaar. The Plastic People begon een tweede leven in 1997 toen Havel, inmiddels president van een vrij Tsjechië, hen uitnodigde voor een concert om de 20ste verjaardag van Charta77 te vieren.

Brabenec remigreerde uit Canada, maar hij kan niet zeggen dat het nieuwe Tsjechië hem zo bevalt. Hij klaagt over wild kapitalisme, maffiapraktijken in het bedrijfsleven en over een “verneukte“ samenleving. “Er zijn in dit land nog steeds heel veel mensen die op de communisten stemmen. Onder het communisme was het leven betrekkelijk makkelijk. Je was weliswaar niet vrij, maar de staat zorgde voor je. Nu moeten mensen zelf een baan zoeken. Ze zijn in de war. Ik begrijp het wel. Of eigenlijk niet. Maar ik wil het begrijpen.“

Van de (tientallen) oorspronkelijke bandleden zijn alleen deze drie grijze mannen over. Bandleider Milan Hlavsa overleed vijf jaar geleden, aan kanker. De posities zijn ingenomen door een nieuwe generatie, zoals Eva Turnova (41), die basgitaar speelt en zingt. “Ik doe vooral mee vanwege de sfeer in de groep. Die is echt heel bijzonder. Ik werk in mijn eigen projecten graag met computers en samples en ik heb dat ook wel eens aan deze oude mannen gesuggereerd. Maar ze willen er absoluut niet aan. Het is wat dat betreft net het Centrale Comité.“