Rancuneus gekissebis over omroep concertseries

Het ontslag van Jan Zekveld als programmeur van de ZaterdagMatinee verdient beslist geen schoonheidsprijs. Dat hij zich gekrenkt voelt, is begrijpelijk (NRC Handelsblad, 27 januari).

Dat is echter geen reden om met modder te gooien naar het inmiddels opgeheven Radio Symfonie Orkest (RSO) en de programmeurs van de andere omroepseries. Zekveld meent dat het RSO `artistiek ondermaats presteerde`, vanwege de `gebrekkige en niet coherente artistieke aansturing van de omroepen`. Zonder het bestaan van zijn ZaterdagMatinee zou het volgens hem `allang afgelopen zijn geweest met het Muziekcentrum van de Omroep`.

Een wonderlijke redenering. Ten eerste: als het RSO slecht presteerde vanwege een `gebrekkige artistieke aansturing`, is Zekveld hier mede debet aan, want hij behoorde tot degenen die deze `aansturing` verzorgden. En als hij de ondermaatse programmering geheel op het conto van de andere programmeurs wil schuiven, vraag je je af hoe het komt dat zij de overige omroepensembles kennelijk wél artistiek genoeg aanstuurden.

Ten tweede: eenieder die het Nederlandse muziekleven enigszins volgt, of maar een blik werpt op de seizoensbrochures van het RSO, zal constateren dat dit orkest een uiterst gevarieerd en avontuurlijk repertoire bood. Ook in de succesvolle omroepseries in Utrecht en Rotterdam. Ik hoop oprecht dat met Kees Vlaardingerbroek, de nieuwe programmeur van de ZaterdagMatinee, de rivaliteit tussen de verschillende concertseries tot het verleden zal gaan behoren. Noch het publiek, noch de orkesten of de omroepen hebben baat bij rancuneus gekissebis.