Ook in de Tien Geboden staat: geen afbeelding

De islam is niet de enige godsdienst die moeite heeft met het afbeelden van religieuze figuren. Ook in jodendom en christendom wordt het door sommigen als ongewenst beschouwd.

God is een God van horen, niet van zien. Dat geldt voor alle drie monotheïstische religies: jodendom, christendom en islam. In alle drie staat het woord centraal. Het beeld wordt in beginsel afgewezen.

Het bijbelboek Exodus verhaalt hoe het joodse volk door Mozes uit Egypte werd gevoerd. In de Sinaï-woestijn ontmoette het volk zijn God. In de geboden die het volk in de woestijn te horen kreeg, nam het afbeeldingsverbod een belangrijke plaats in. De Tien Geboden, een soort grondwet die de relatie tussen God en zijn volk vastlegde, begonnen aldus: “Ik ben de Heer, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij heeft bevrijd. Vereer naast mij geen andere goden. Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is, of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de Heer uw God, duld geen andere goden naast mij.“ (Exodus 20, 2-5)

Dit afbeeldingsverbod van mensen en dieren was vooral bedoeld om te voorkomen dat het volk zou vervallen in het dienen van de goden van anderen. Hoe groot die neiging was verhaalt Exodus enkele hoofdstukken verderop als het volk, ondanks het verbod, een gouden kalf maakt en dat als zijn god aanbidt - kennelijk een erfenis uit het verblijf in Egypte, waar de god Apis in de vorm van een stier, symbool van kracht, werd vereerd. (Exodus 32). De kwaliteit van latere rechters en koningen in Israël wordt in de bijbel steeds afgemeten aan hun houding tegenover afgoderij, die vaak gepaard ging met vormen van beeldenverering.

In de christelijke kerk werd het religieuze gebruik van afbeeldingen van Jezus en diens prominente volgelingen aanvankelijk afgewezen. In het Oostelijke Romeinse rijk begon niettemin aan het einde van de zesde eeuw verering van iconen te ontstaan. Die afbeeldingen werden beschouwd als een soort vensters waardoor je een blik in het hemelse kon werpen. Er werden ook heilzame krachten aan toegekend.

In de achtste eeuw keerden de zogeheten iconoclasten (icoon = afbeelding; klazein = klinken, kraken) zich tegen deze praktijk. Daarbij beriepen ze zich op de wetgeving uit Exodus. Keizer Leo III liet omstreeks 730 een beroemde afbeelding van Christus boven de paleispoort in Constantinopel verwijderen en vernietigen. Meer dan vijf decennia raakten de iconenaanbidders in het defensief, tot keizerin Irene in 787 het zevende concilie (kerkvergadering) van Nicea bijeenriep, waar de aanbidding van iconen werd veroordeeld, maar de afbeeldingen wel werden toegelaten. Begin negende eeuw volgde een nieuw verbod op religieus gebruik van iconen, dat uiteindelijk in 843 definitief werd opgeheven onder keizerin Theodora. Men besloot toen: wel afbeeldingen, maar alleen tweedimensionaal. In de westerse kerk bleven de driedimensionale heiligenbeelden bestaan.

Sommige bronnen brengen het iconoclasme in verband met de behoefte van keizer Leo III de moslims niet tegen de haren in te strijken. Moslims, althans de sunnitische meerderheid, moeten namelijk niets hebben van afbeel- dingen, van profeten in de eerste plaats, maar bij extremere stromingen van afbeeldingen in het algemeen. De Talibaan gingen na hun machtsovername in Afghanistan zover dat ze ook familiefoto's verboden. Saoedi-Arabië, geboorteplaats van de islam, is ook zwaar in de leer. Koning Saud bin Abdul Aziz moest in 1959 een zware slag tegen de geestelijkheid leveren om zijn eigen portret op bankbiljetten afgedrukt te krijgen. Maar hoe verder van de heilige plaatsen Mekka en Medina hoe losser de sunnitische zeden: in Egypte heeft men geen enkele moeite met het aanplakken van portretten van president Mubarak.

De shi'ieten zijn haast katholiek, met een soort heiligenverering van hun imams, de opvolgers van Mohammed. In de Iraanse heilige stad Qom zijn overal portretten aangeplakt van Ali, Mohammeds neef en schoonzoon die volgens de shi'ieten de eerste wettige opvolger van de profeet is, en diens zoon Hussein. Ook Mohammed zelf is er wel op afbeeldingen te vinden, evenals Jezus, ook een (mindere) profeet in de islam.

De volgelingen van de kerkhervormer Calvijn keerden zich tegen heiligenverering en veroordeelden “allen die beelden eer aandoen“, zoals dat in de loop der eeuwen in de katholieke kerk gebruik was geworden. Zij ergerden zich bovendien aan de pracht en praal van de kerken, waartegen de armoede van velen schril afstak. Het werd mede aanleiding tot de beeldenstorm in 1566, waaraan honderden kerken en kloosters ten prooi vielen. Ook in het protestantisme ging het daarbij overigens niet om de afbeeldingen als zodanig, maar om het feit dat afbeeldingen van heiligen vereerd werden. Zo bleven de bijbelse voorstellingen in de St. Jan in Gouda onaangetast, ook nadat deze kerk in 1573 in protestantse handen was overgegaan. De aanhangers van de Reformatie lieten zelf nog nieuwe afbeeldingen van bijbelverhalen maken.

Een late echo van de calvinistisch afkeer van de beeldendienst is nog te terug te vinden bij ultra-orthodoxe gereformeerden die principeel geen televisie in huis hebben. Dat SGP-leider Van der Vlies zich tegenwoordig voor de tv-camera laat interviewen is in deze kring niet onomstreden. Want het geloof is uit het gehoor, zoals de apostel Paulus schrijft (Romeinen 10,17).

Met medewerking van Carolien Roelants