Kleuterleidsters

Enkele weken geleden stelde ik voor om gradaties aan te brengen in de bevoegdheden van leraren die lesgeven in het basisonderwijs: een aparte bevoegdheid voor respectievelijk de kleuters, de onderbouw en de bovenbouw. De leraar die hogerop wil kan dat doen via een aanvullende studie, en de leraar bovenbouw zou weer door kunnen groeien naar het vmbo.

Er waren verschillende redenen voor deze suggestie. Aanleiding waren de eisen die men wil gaan stellen met betrekking tot rekenen. Daar kunnen velen blijkbaar (vooralsnog) niet aan voldoen. Laat die dan een bevoegdheid halen voor alleen de onderbouw, dan kunnen ze later met aanvullend onderwijs desgewenst doorgroeien naar de bovenbouw. Daarmee, zo merkten verschillende lezers op, krijgt het onderwijs weer de dynamiek die het vroeger met zijn lo- en mo-akten ook kende en komen er misschien ook weer mannen op het beroep af.

Voordeel is ook dat leraren meer gaan studeren en niet alleen de cursussen volgen die ze krijgen opgelegd en waar ze lang niet altijd de zin van inzien. Ook kan het herstellen van deze carrièrelijn ertoe bijdragen het tekort aan leraren in het vmbo te bestrijden. Veel vliegen in één klap dus.

Wat me door velen in dank werd afgenomen is dat ik de kleuterleidsters als een afzonderlijk specialisme definieerde. Maar wat tot veel protesten leidde, was dat ik ze onderaan in de hiërarchie plaatste. Daarmee suggereerde ik in de ogen van velen dat ik het werken met kleuters minder belangrijk zou vinden. Dat, kan ik u verzekeren, is geenszins het geval. Een kleuterleidster zal in de regel meer invloed hebben op iemands ontwikkeling dan een hoogleraar. Hoe ouder het kind waar je mee werkt, hoe meer dat al gevormd is, dus hoe minder ingrijpend het effect van individuele opvoeders. Toch verdient een hoogleraar meer. Niet uit dédain voor de kleuterleidster, maar vanwege de moeilijkheidsgraad en de duur van zijn opleiding.

De opleiding tot kleuterleidster kende indertijd een lagere toelatingseis en een kortere duur dan die van onderwijzer. Vervolgens moesten ze aanvullend onderwijs gaan volgen om leraar basisonderwijs te worden. Over de eisen die daaraan werden gesteld, lopen de meningen uiteen: de een schreef me dat het niet veel voorstelde, een ander vond het een pittige opleiding. De een vond het nergens voor nodig omdat zij toch niets anders wilde dan werken met kleuters, een ander vond het plezierig dat ze daarmee een wending had kunnen geven aan haar loopbaan door les te gaan geven in de hogere klassen.

Ik vind het belangrijk dat in het onderwijs de beloning afhankelijk is van het niveau van de opleiding die iemand heeft gevolgd en ik vind het dan ook treurig dat daar steeds minder belang aan wordt gehecht. Daarmee bagatelliseert het onderwijs haar eigen kerntaak: leren. Dit bagatelliseren van studie als vorm van kennisverwerving zien we op alle niveaus van het beroepsonderwijs en ook steeds vaker in het voortgezet onderwijs.

Er zijn jongeren bij wie de school al in een vroeg stadium aanloopt tegen de grenzen van wat ze willen en kunnen leren. Als antwoord hierop heeft men het onderwijs de vorm laten aannemen van werken: er wordt winkeltje gespeeld, er worden in opdracht materialen gemaakt, er wordt veel stage gelopen. Voor veel leerlingen een prima oplossing, maar op grote schaal wordt de fout gemaakt dat dit uit de nood geboren onderwijs model dient te staan voor hoe het eigenlijk overal zou moeten. Dit anti-intellectualisme vertaalt zich niet alleen in de inrichting van het onderwijs, maar ook in het relativeren van het niveau van de opleiding die de leraar heeft gevolgd.

lgm.prick@worldonline.nl