Kabinet bezorgd om integriteit van notarissen

Het kabinet zegt “reden tot zorg“ te hebben over de ontwikkeling van de integriteit van het notariaat. Duidelijke integriteitseisen, kwaliteitseisen en een goed functionerend toezicht zijn volgens het kabinet essentieel om de onafhankelijke positie van de notaris in de toekomst te kunnen waarborgen.

Dat stelt het kabinet in reactie op een rapport van de zogeheten commissie-Hammerstein over de invoering van de in 1999 ingevoerde Wet op het Notarisambt.

Met die wet werd marktwerking, onderlinge concurrentie en vrije tarieven voor het notariaat ingevoerd.

Het notariaat in Nederland mag volgens het kabinet niet verschralen tot commerciële dienstverlening. Notarissen moeten hun voorlichtende en informatieve taak behouden.

Notarissen die niet voldoen aan de publieke kernwaarden van het ambt moeten desnoods onder verscherpt toezicht worden gesteld.

De invoering van marktwerking heeft niet geleid tot wanpraktijken op structurele schaal, is een van de conclusies uit dat rapport. Tegelijkertijd concludeerde de commissie dat het toezicht op notarissen wel moest worden verscherpt. De beroepsgroep zou sinds de invoering van de wet kwetsbaarder zijn geworden voor beïnvloeding en manipulatie.

De Koninklijke Notariële Beroepsgroep behandelt jaarlijks gemiddeld 250 klachten over het werk van notarissen. Het aantal uitspraken in tuchtrechtzaken is tussen 1999 en 2003 meer dan verdubbeld tot ruim 300 uitsprakenper jaar.

Het kabinet stelt in zijn reactie dat de beroepsorganisatie heldere, toetsbare criteria moet ontwikkelen waaraan een goed notariskantoor moet voldoen. Wie die criteria overtreedt, kan onder verscherpt toezicht worden gesteld.

Het kabinet gaat er daarbij van uit dat de beroepsorganisatie ook daadwerkelijk gebruik gaat maken van haar bevoegdheden op dat punt.

Volgens voorzitter A. Hammerstein, president van het gerechtshof in Arnhem, hebben notarissen te maken met sterke marktpartijen, met name in de vastgoedsector. Maar een voorstel van de commissie om een notaris eerder in te schakelen bij de koop en verkoop van onroerend goed, waarmee financiële schijnconstructies eerder blootgelegd zouden kunnen worden, wordt door het kabinet afgewezen. Daarvoor zou een wijziging van het Burgelijk Wetboek nodig zijn.