Jaap

Is Jaap Stam een Ajax-speler? Uitgaande van zijn kwaliteiten, kan hij in ieder team spelen. In ieder land, op ieder continent. Religie doet er ook niet toe.

Maar Ajax?

Zieker dan Ajax kan een club met historie niet zijn. Het lijkt wel een gesticht. Iedereen wil weg bij Ajax, weg uit de hocus-pocus van Danny Blind, weg uit de burenruzies, weg uit de paniek. Klaas-Jan Huntelaar, oerspits die op nummer tien werd gezet, zou wat graag op zijn knieën naar Heerenveen kruipen. Waar hij eindelijk weer zichzelf mag zijn. Het was niet toevallig dat Klaas-Jan, eerder deze week, in het oude, vertrouwde stadion een doelpunt scoorde. In de Arena lukt het niet. Nog niet.

Het verwijfde, verwende en uiteraard arrogante Ajax van de laatste jaren heeft dit seizoen iets zieligs gekregen. Dat is nieuw. Je ziet alleen wanhoop, op het veld en in de dug-out. Het gebinte Ajax is niet meer. Om dat terug te halen wordt Jaap Stam ingehuurd. De potigheid zelve. Maar is Jaap een leider? Hij kan vloeken als de beste, maar spreken doet hij niet. Jaap heeft alleen maar misprijzen voor salonvoetballers en kleinzerigheid. In zijn diepste gedachten vindt hij dat de mensheid uit darmen bestaat. Zeg dat met zoveel woorden tegen Heitinga en Maduro, en ze zijn voor drie jaar uitgeschakeld.

Ik herinner me het wereldkampioenschap in Frankrijk als de dag van gisteren. Terwijl de happy few van het Nederlands elftal op vrije avonden in het trendy SAS Café zat, kuierden Jaap Stam en Arthur Numan door de straten van Monte Carlo. Om een luchtje te scheppen, zeiden ze zelf. Zij waren niet in de mood voor discogeluk. Jaap en Arthur: geknipte figuranten voor de prachtige roman Knielen op een bed violen van Jan Siebelink.

Ouderlingen.

Dan moet je niet in de Arena willen zijn. Ik had het voorrecht Jaap Stam te ontmoeten in zijn eerste jaar bij Lazio Roma. Jaap speelde de sterren van de hemel, maar hij was nog nooit in de stad geweest. Het Colosseum, de winkelstraten, de betere restaurants, Jaap had er geen weet van. Hij was na de training liever thuis, bij vrouw en kinderen. Achter een beveiligd hek. In Rome kan dat, in Amsterdam niet. Het Leidseplein en aanverwante oorden zijn het epicentrum van Ajax. Hoeveel kerel ben je? Dat moet je eerst aan de meisjes laten zien. De Arena kan altijd nog.

Jaap Stam is niets te verwijten in zijn sprong naar geborgenheid. Maar wat heeft Ajax-bobo Martin van Geel met geborgenheid? Weinig. Hij is de super-illusionist met een vervoetbald hoofd. Glad, strak, gehesen in een pak. Ajax!

Hij droeg de transfer van Jaap Stam triomfantelijk uit als een persoonlijke overwinning. Hoezo, overwinning? Jaap Stam naar Ajax, dat soort transfers regel je beter stiekem. Een kat in nood maakt rare sprongen, vandaar Van Geel is de kluts kwijt. Dat was hij wel vaker, ook bij Willem II, maar hij had altijd zo'n air van onschendbaarheid over zich. Wie doet 't beter? Van Geel: krijtstreep, bobo-jargon, zelfs de armhandelingen zijn synchroon met de vermeende status. Een staketsel dat wauwelt, meer is het niet.

Jaap Stam naar Ajax. Waarom niet Romario? De briljante veertiger kan wel een balletje trappen. Hij is wat Van Geel ook is: koketterie. Laat Ajax toch een bejaardenhuis worden, dan ontstaat misschien ooit weer warmte voor een club die van euthanasie aan elkaar hangt.

Jaap Stam.

Vasovic en Blankenburg hadden een sfeergevoelige zwierigheid. Die romantiek redt Jaap niet. Stam kan illustere voorgangers hebben, maar daar zit de illustere bobo Van Geel eigenlijk niet mee. Hij wil bluffen met namen en reputaties, alsof voetballers een soort nouvelle cuisine zouden zijn. Kortom, een ijdeltuit voor wie cultuurbreuken mooier zijn dan cultuur.

Ja, ik beween Ajax nu. Omdat het wezen van traditie, avonturisme en bellettrie is weggenomen. Ajax is ordinair geworden. Provincie in de stad.

Van Jaap Stam houd ik sowieso. De man van Kampen, de man van het primaire voetbalgenot. Jaap Stam: antichrist van Ajax. Zoon van een vader en een moeder die in een kantine geluk zochten. De zwier van de tapkraan - die wereld, dat werk. En als het bier niet wou schuimen, schuimden ze zelf, in Kampen. Het dorp waar mensen een leven hebben zonder te lullen. Een leven zonder tenue, zonder rugnummer.